All Posts By

Editor

C-135/16 Georgsmarienhütte ea

By | (hernieuwbare) energie, staatssteun | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: (hernieuwbare) energie; staatssteun

Deadline: submit your brief by 12 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: VWEU artikel 107 (staatssteun)

De vier verzoeksters zijn onderdeel van het Georgsmarienhütteconcern (staalindustrie). Het zijn ‘bijzonder energie-intensieve bedrijven’ die sinds 01-01-2012 een wettelijke mogelijkheid hebben bij de betreffende DUIaut (BAFA) te verzoeken om maximering van de ‘EEG-heffing’ (een heffing voor alle stroomverbruikers, ter bevordering van hernieuwbare energie). In de verwijzingsbeschikking worden de vier (vijf) niveaus van de DUI regeling beschreven. Voor alle vier verzoeksters is (in 2012 en 2013) bij ‘maximeringsbesluiten’ een bovengrens vastgesteld voor de EEG-heffing. Deze zijn bij besluiten van 25-11-2014 ingetrokken. Verzoeksters hebben daartegen bij BAFA bezwaar gemaakt, dat is afgewezen (03-12-2014). De intrekking vond plaats naar aanleiding van een besluit van de EURCIE van 25-11-2014 dat de door DUI gehanteerde speciale vergoedingsregeling voor 2013 en 2014 in beginsel in strijd is met VWEU artikel 108 lid 3 maar onder bepaalde voorwaarden toch verenigbaar is met de IM. Het gaat dan met name om de terugvorderingsverplichting. Omdat het om steun in strijd met het Unierecht gaat is bescherming van het gewettigd vertrouwen niet mogelijk.

De verwijzende DUI rechter (Bestuursrechter Frankfurt/Main) stelt vast dat verzoeksters de uitleg door de EURCIE van de VWEU artikelen 107 en 108 in twijfel trekken. Zij ontkennen voordeel en selectiviteit van de maatregel en wijzen erop dat bevordering van hernieuwbare energie in DUI zonder de maatregel niet denkbaar zou zijn. De rechter verwijst verder naar de door DUI bij het Gerecht aangespannen zaak T-47/15 DUI/CIE tot nietigverklaring van het besluit van de EURCIE (zie onderstaande tekst van het Pb).
Op grond van VWEU artikel 288 is DUI echter verplicht het besluit uit te voeren. Of de maximering als steun moet worden aangemerkt hangt af van het antwoord op de vraag of de juridische beoordeling van de EURCIE in haar besluit van 25 november 2014, dat bij de kortingen op de EEG-heffing voor energie-intensieve ondernemingen (in beginsel) sprake is van een steunmaatregel van de Staat of met staatsmiddelen bekostigd, die inzonderheid gelet op artikel 107, onder b) en c), VWEU niet verenigbaar is, juist is. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:
“Is het besluit van de Europese Commissie van 25 november 2014 [besluit van de Commissie van 25 november 2014 betreffende de steunmaatregel SA.33995 (2013/C) (ex 2013/NN) (ten uitvoer gelegd door Duitsland inzake steun voor hernieuwbare elektriciteit en voor energie-intensieve ondernemingen), C(2014) 8786 final] in strijd met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat de Commissie de maximering van de EEG-heffing aanmerkt als steun in de zin van artikel 107 VWEU?”
Specifiek beleidsterrein: EZ en IenM

 

Tekst PB

Beroep ingesteld op 2 februari 2015 – Bondsrepubliek Duitsland / Europese Commissie

(Zaak T-47/15)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, K. Petersen, en T. Lübbig, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 25 november 2014, C(2014) 8786 final, in de procedure „Staatssteun SA.33995 (2013) (ex 2013/NN) – Duitsland, bevordering van de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen en verlaging van de EEG-heffing voor energie-intensieve ondernemingen” overeenkomstig artikel 264 VWEU nietig verklaren;

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

Eerste middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten

De Europese Commissie heeft de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, namelijk de wijze waarop het Gesetz für den Vorrang erneuerbarer Energien (wet betreffende de voorrang van hernieuwbare energiebronnen) functioneert, onjuist beoordeeld, in het bijzonder wat betreft het stelsel van de financiële stromen op grond van die wet. Voorts heeft zij de rol van „de staat” als wetgever en als voor de toezichthouders verantwoordelijke instantie onjuist beoordeeld en daaruit ten onrechte afgeleid dat controle wordt uitgeoefend.

Tweede middel: geen „begunstiging” door de bijzondere compensatieregeling

De Europese Commissie heeft artikel 107, lid 1, VWEU onjuist toegepast door in strijd met de rechtspraak van het Hof aan te nemen dat energie-intensieve ondernemingen worden begunstigd.

Derde middel: geen toekenning van de vermeende steun door de staat of vermeende steun niet met staatsmiddelen bekostigd

De Europese Commissie heeft artikel 107, lid 1, VWEU eveneens onjuist toegepast door aan te nemen dat overheidsinstanties controle uitoefenen over het vermogen van de verschillende particuliere ondernemingen die bij het stelsel van het Gesetz [für] den Vorrang erneuerbarer Energien betrokken zijn.

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-52/16 en C-113/16 SEGRO ea

By | eigendomsrecht, recht eerlijk proces, recht vrije vestiging, vrij kapitaalverkeer | No Comments

Regarding: Gevoegde prejudiciële hofzaken

Keywords: eigendomsrecht; recht eerlijk proces; recht vrije vestiging; vrij kapitaalverkeer

Deadline: submit your brief by 15 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Handvest grondrechten artikelen 17 (eigendomsrecht) en 47 (eerlijk proces)
– VWEU artikel 49 (recht vrije vestiging) en 63 (vrij kapitaalverkeer)

C-113/16: In deze zaak gaat het om een OOS verzoeker die vóór 01-05-2014 recht van vruchtgebruik heeft verkregen, eindigend bij zijn overlijden, op twee in HON gelegen percelen landbouwgrond. HONaut maakt die inschrijving op 12-10-2015 ongedaan op grond van de gewijzigde HON kadasterwet waarin is bepaald dat sprake moet zijn van ‘naaste familie’ om een recht van (vrucht)gebruik te mogen vestigen. Tegen dat besluit is geen bezwaar mogelijk. Verzoeker gaat in beroep en vraagt de verwijzende rechter een vraag aan het HvJEU te stellen.

De verwijzende HON rechter (bestuurs- en arbeidsrechter te Szombathely) zet de wijzigingen in de HON plattelandswet uiteen. Sinds 2013 geldt een nieuwe regeling voor (vrucht)gebruik, maar daarin zijn geen specifieke (overgangs)bepalingen voor compensatie van eerder gevestigde rechten opgenomen. In deze zaak betreft het de nieuwe regel van het tenietgaan van rechten per 01-05-2014 van personen die niet kunnen aantonen ‘naaste familie’ te zijn van een HON burger. De rechter constateert dat weliswaar geen sprake is van directe discriminatie omdat de regeling voor alle EU-burgers gelijkelijk geldt maar wel van verkapte discriminatie omdat het voor burgers uit andere EULS aanzienlijk moeilijker zal zijn om aan te tonen dat zij naaste familie zijn van een HON burger, zodat het in de meeste gevallen gaat om een eis waaraan niet kan worden voldaan. Hij verwijst naar HvJEU-zaak C-370/05, alsmede naar de Keck- en Dassonville-jurisprudentie en ziet beperkingen van de vrijheid van vestiging en van kapitaalverkeer door het gebrek aan een compensatieregeling voor de gedane investering. Bovendien betreft het beperking van rechten die zijn verkregen vóór de HON toetreding, hetgeen in strijd met de ‘standstill’-bepaling en VWEU artikel 63. De rechter ziet geen dwingende redenen van algemeen belang voor de wetswijziging en mochten die wel geconstateerd worden dan ziet de rechter geen rechtvaardiging in de eis van ‘naaste familie’, (een verkapte nationaliteitseis). Hij legt in deze zaak de volgende vragen voor aan het HvJEU:
 (1) Levert een regeling van een lidstaat als in het hoofdgeding, waarbij het op landbouwgrond gevestigde recht van vruchtgebruik en recht van gebruik slechts in stand blijft als wordt aangetoond dat er sprake is van naaste familie van de persoon die dat recht heeft gevestigd, en waarbij het recht van vruchtgebruik en recht van gebruik van rechtswege tenietgaat zonder financiële compensatie wanneer de rechthebbende niet kan aantonen dat hij naaste familie is, een met de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie strijdige beperking op?
(2) Heeft, bekeken vanuit het perspectief van de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een regeling van een lidstaat als in het hoofdgeding, waarbij het op landbouwgrond gevestigde recht van vruchtgebruik en recht van gebruik slechts in stand blijft als wordt aangetoond dat er sprake is van naaste familie van de persoon die dat recht heeft gevestigd, en waarbij het recht van vruchtgebruik en recht van gebruik van rechtswege tenietgaat zonder financiële compensatie wanneer de rechthebbende niet kan aantonen dat hij naaste familie is, daadwerkelijk in dezelfde mate gevolgen voor burgers van die lidstaat en burgers van andere lidstaten?

C-52/16: Verzoekster is een HON onderneming waarvan de vennoten in DUI woonachtig zijn. Zij heeft op 30-04-2014 recht van vruchtgebruik verkregen op stukken grond in HON. De inschrijving in het kadaster is door verweerster (HONaut) doorgehaald op 10 en 11-09-2014 op grond van de gewijzigde HON kadasterwet. Daarin is de overgangsperiode (voorheen 20 jaar) voor het tenietgaan van het ten behoeve van buitenlanders gevestigde recht van (vrucht)gebruik verkort naar 4,5 jaar. Tegen die besluiten is geen bezwaar mogelijk, maar verzoekster gaat in beroep. Het HON constitutioneel hof heeft op 21-07-2015 de besluiten ongrondwettig verklaard omdat in het toegepaste artikel van de herziene kadasterwet geen overgangsbepalingen over tenietgegane rechten van (vrucht)gebruik zijn opgenomen en niet is voorzien in compensatie. De gevraagde vernietiging van de overgangsbepaling wordt niet gehonoreerd. Verzoekster vraagt de verwijzende rechter een prejudiciële vraag aan het HvJEU te stellen.

De verwijzende HON rechter (bestuurs- en arbeidsrechter te Szombathely) oordeelt ook in deze zaak schending van het vrij verkeer van kapitaal en het recht van vrije vestiging, alsmede beperking van het eigendomsrecht, schending van het vertrouwensbeginsel en het recht op een eerlijk proces. Hij verwijst naar arrest C-370/05 en naar rechtspraak van het EHRM waarin wordt bevestigd dat het de genoemde vrijheden en het recht van eigendom treft. Hij meent dat de HON wetgever onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de wetswijziging noodzakelijk is, er geen sprake is van evenredigheid en de beperkingen van de vrijheden disproportioneel zijn. Het wettelijk vermoeden dat ervan uitgaat dat een rechtsbetrekking niet geldig tot stand is gekomen wordt niet expliciet in de wet genoemd, zodat daartegen niet kan worden opgekomen, hetgeen in strijd met het recht op een eerlijk proces. Hij legt het HvJEU in deze zaak de volgende vragen voor:
(1) Moeten de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat als in het hoofdgeding die voorziet in de verplichting tot doorhaling van de inschrijving van het recht van vruchtgebruik en recht van gebruik dat is gevestigd op landbouwgrond en is ingeschreven ten behoeve van ondernemingen of natuurlijke personen die geen naaste familie van de eigenaar van de landbouwgrond zijn, zonder dat er wordt gekeken naar andere criteria en zonder dat is bepaald dat wie een tenietgegaan recht van vruchtgebruik en recht van gebruik heeft, compensatie voor het vermogensverlies krijgt, welke compensatie weliswaar niet verschuldigd is bij de afrekening tussen partijen, maar haar grondslag vindt in rechtsgeldige overeenkomsten?
(2) Moeten de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die voorziet in de verplichting tot doorhaling van de inschrijving van het recht van vruchtgebruik en recht van gebruik dat is gevestigd op landbouwgrond en op grond van uiterlijk op 30 april 2014 gesloten overeenkomsten is ingeschreven ten behoeve van ondernemingen of natuurlijke personen die geen naaste familie van de eigenaar van de landbouwgrond zijn, zonder dat er wordt gekeken naar andere criteria, maar waarin is bepaald dat wie een tenietgegaan recht van vruchtgebruik en recht van gebruik heeft, compensatie voor het vermogensverlies krijgt, welke compensatie weliswaar niet verschuldigd is bij de afrekening tussen partijen, maar haar grondslag vindt in rechtsgeldige overeenkomsten?
Aangehaalde jurisprudentie: C-370/05 Vestersen
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-154/16 Latvijas dzelzceļš

By | btw, communautair douanewetboek | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: communautair douanewetboek; btw

Deadline: submit your brief by 19 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;
– Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is opdrachtgever voor vervoer per spoor door LET van een oplosmiddel. Tijdens een transport in maart 2011 wordt een lek geconstateerd in één van de tankwagons, waardoor 2448 kg vrachtgoed ontbreekt. Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt. Ook de douaneAut (verweerster) stelt de vermissing vast, maar aangezien de vereiste documenten van het ontbrekende vrachtgoed ontbreken legt zij verzoekster betaling op van douanerechten en btw. Verzoekster maakt bezwaar maar het besluit wordt gehandhaafd, waarna zij zich tot de rechter wendt met verzoek om nietigverklaring. Ook dat verzoek wordt 08-12-2014 afgewezen. Verzoekster stelt dan beroep tot cassatie in. Zij stelt dat ook de vervoerder als schuldenaar moet worden aangewezen (de in jurisprudentie van het HvJEU bepleite hoofdelijke aansprakelijkheid), hetgeen verweerster heeft geweigerd in overweging te nemen. Verweerster stelt dat de ‘aangever’ in de eerste plaats verantwoordelijk is voor ongeschonden aangifte van de goederen, en dat het ontbreken van goederen in alle gevallen leidt tot het ontstaan van een douaneschuld.

De verwijzende LET cassatierechter twijfelt of verweerster zich terecht op artikel 203, lid 1, van het douanewetboek mocht baseren. Dat artikel ziet op onrechtmatige onttrekking en niet zoals in deze zaak speelt op het ontbreken van goederen dat met bewijsstukken is gestaafd. Toepassing van artikel 203 is volgens het HvJEU gerechtvaardigd indien het gevaar bestaat dat de verdwenen goederen in het economisch circuit van de EU terechtkomen. Artikel 206 regelt de gevallen waarin (toch) geen douaneschuld ontstaat bij ontbreken van goederen nadat deze zijn vernietigd of onherstelbaar verloren. Dezelfde vragen betreffen de btw, aangezien die altijd tegelijk met douanerechten wordt geheven. De verwijzende rechter legt ook vragen voor over de door verzoekster gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit jurisprudentie van het HvJEU blijkt hem dat het Hof het veiligstellen van de financiële belangen van de EU voorop stelt en daarom in de eerste plaats de aangever aansprakelijk moet worden gesteld. In het douanewetboek wordt echter ook op de verantwoordelijkheid van andere betrokkenen gewezen. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1) Moet artikel 203, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat het altijd van toepassing is wanneer in het kader van de regeling extern douanevervoer niet alle goederen op het douanekantoor van bestemming worden aangebracht, ook al wordt afdoende aangetoond dat de goederen zijn vernietigd en onherstelbaar verloren zijn gegaan?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, kan het afdoende bewijs dat de goederen vernietigd zijn en, bijgevolg, het feit dat het uitgesloten is dat de goederen in het economisch circuit van de lidstaat terechtkomen, dan een grond vormen voor toepassing van de artikelen 204, lid 1, onder a), en 206 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zodat de goederen die vernietigd zijn terwijl zij zich onder de regeling extern douanevervoer bevonden, buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de douaneschuld?
3) Indien de artikelen 203, lid 1, 204, lid 1, onder a), en 206 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus kunnen worden uitgelegd dat ook over de ten tijde van het extern douanevervoer vernietigde goederen rechten bij invoer worden geheven, kunnen de artikelen 2, lid 1, onder d), 70 en 71 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan aldus worden uitgelegd dat samen met de rechten bij invoer tevens de belasting over de toegevoegde waarde moet worden voldaan, ook wanneer het uitgesloten is dat de goederen feitelijk in het economisch circuit van de lidstaat zijn terechtkomen?
4) Moet artikel 96 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat de aangever altijd aansprakelijk is voor de betaling van die douaneschuld, die in het kader van de regeling extern douanevervoer ontstaat, ongeacht of de vervoerder de krachtens lid 2 van dat artikel 96 op hem rustende verplichtingen is nagekomen?
5) Moeten de artikelen 94, lid 1, 96, lid 1, en 213 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van de lidstaat verplicht is om alle personen hoofdelijk aansprakelijk te stellen die in het concrete geval overeenkomstig het bepaalde in het douanewetboek kunnen worden geacht samen met de aangever tot betaling van de douaneschuld gehouden te zijn?
6) Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt en de wetten van de lidstaat de verplichting tot betaling van de belasting over de toegevoegde waarde bij invoer van goederen doorgaans verbinden aan de procedure voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen, moeten de artikelen 201, 202 en 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat verplicht is alle personen die in het concrete geval overeenkomstig het bepaalde in verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek kunnen worden geacht tot betaling van de douaneschuld gehouden te zijn, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde?
7) Indien het antwoord op de vijfde of de zesde vraag bevestigend luidt, kunnen de artikelen 96, lid 1, en 213 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en de artikelen 201, 202 en 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan aldus worden uitgelegd dat wanneer de douane van de lidstaat ten gevolge van een vergissing geen van de personen die samen met de aangever tot betaling van de douaneschuld gehouden zijn, hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling daarvan, de aangever op deze enkele grond van zijn aansprakelijkheid voor de voldoening van de douaneschuld, kan worden bevrijd?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-273/12 Winston; C-480/12 X (NLHR); C-75/13 SEK Zollagentur
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-148/16 Akarsar

By | Europees aanhoudingsbevel (EAB), overlevering | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB); overlevering

Deadline: submit your brief by 22 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

Verzoeker is POL staatsburger. Hij is in ZWE, maar bevindt zich niet in detentie. De aanvraag voor behandeling als spoedprocedure is door het HvJEU niet gehonoreerd. Verzoeker is in POL tot vijf jaar en zes maanden vrijheidsstraf veroordeeld waarvan hij nog drie jaar, acht maanden en 26 dagen moet ondergaan. De straf is opgelegd voor achttien verschillende feiten, waarvan er zeventien tevens strafbaar zijn in ZWE. Het achttiende feit (onttrekking aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf) is in het ZWE recht niet strafbaar en wordt evenmin genoemd in kaderbesluit 2002/584. POLaut hebben aangegeven dat het niet mogelijk is de straf op te splitsen. De Rb en het Hof van beroep hebben de overlevering afgewezen. Het OM komt op tegen dat besluit. Verzoeker verzet zich tegen zijn overlevering.

De verwijzende ZWE rechter (Hooggerechtshof in burgerlijke en strafzaken) stelt vast dat met overlevering door ZWE enkel kan worden ingestemd voor een feit dat strafbaar is gesteld door het ZWE recht (de omzetting van het kaderbesluit). Weigering is mogelijk als het feit dat aan het EAB te grondslag ligt naar het recht van de uitvoerende EULS niet strafbaar is. Hij haalt een eerdere strafzaak aan van een overlevering tussen FIN en ZWE waar hetzelfde probleem speelde (verschillende strafbare feiten waarvan één niet strafbaar in ZWE); dat probleem kon door FINaut worden opgelost aangezien het in FIN mogelijk is een in kracht van gewijsde gegaan strafrechtelijk vonnis te herzien. Aangezien dat in POL niet mogelijk is vraagt de rechter zich af hoe in deze zaak te beslissen en legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Kan een lidstaat de tenuitvoerlegging weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf die wegens meerdere feiten samen is opgelegd, wanneer een van deze feiten geen strafbaar feit is naar het recht van de uitvoerende lidstaat en het in de uitvaardigende lidstaat niet mogelijk is de straf op te splitsen?”
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-132/16 Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments

By | aftrekposten, btw, dienstverrichting ‘om niet’ | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; aftrekposten; dienstverrichting ‘om niet’

Deadline: submit your brief by 25 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is een vastgoedbedrijf. Zij krijgt een naheffingsaanslag van de regionale belastingdienst omdat haar het recht op aftrek btw over een factuur van Severni Vodi wordt geweigerd. Het betreft een factuur voor bouw en montagewerkzaamheden / reparatie van een pompstation voor afvalwater in een vakantiedorp (‘op eigen terrein’) en in het dorp Lozenets, beide in de BUL gemeente Tsarevo. Verzoekster treedt op als investeerder in het gebied, Severni Vodi is de exploitant van het vakantiedorp. Een deskundige heeft een (accountants)rapport opgesteld met betrekking tot de factuur waarbij hem is gebleken dat de bedragen op de factuur geboekt zijn onder ‘vooruitbetaalde uitgaven’ en op de resultatenrekening als voorraad voor 2009 en 2010 werden opgenomen. De administratieve rechter heeft de overeenkomsten onderzocht en geoordeeld dat de door verzoekster gefinancierde reparatie tot gevolg heeft dat de gemeente een dienstverrichting om niet heeft ontvangen. Aftrek daarvan is in de BUL btw-wet uitgesloten. Hij vernietigt de naheffingsaanslag omdat het feit dat de infrastructuuronderdelen eigendom van de gemeente zijn niet impliceert dat de verrichte diensten om niet bedoeld waren. De diensten hadden tot doel Severni Vodi de mogelijkheid te geven een vakantiedorp te bouwen. Verweerder stelt dat RL 2006/112 zich niet tegen een nationale regeling verzet die het recht op aftrek weigert voor toekomstige leveringen/diensten, maar blijft erbij dat verzoekster ten behoeve van de gemeente een dienst om niet heeft verricht waarvoor zij op grond van de BUL regeling geen recht op aftrek van de voorbelasting geniet.

De verwijzende BUL rechter (Hoogste bestuursrechter) stelt vast dat het geschil tussen partijen de geldigheid van de publiek-private partnerschapsovereenkomst betreft en dat er tegenstrijdigheid in de BUL rechtspraak is opgetreden door verschillen in de feiten van onderhavig geding en het feitelijk kader van zaken die leidden tot uitspraken van het HvJEU in C-118/11 en C-153/11. In de BUL regelgeving is de dienstverrichting om niet een zelfstandige basis voor weigering van het recht op aftrek van voorbelasting, ook al wordt deze zoals verzoekster betoogt enkel verricht in het kader van de economische activiteiten van de dienstontvanger, terwijl het in RL 2006/112 gaat om een cumulatieve voorwaarde. De rechter stelt dan ook vragen aan het HvJEU om nadere uitleg van de genoemde bepalingen uit RL 2006/112:
1. Staan de artikelen 26, lid 1, onder b), 168, onder a), en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een nationale bepaling als artikel 70, lid 1, punt 2, van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (wet inzake de belasting over de toegevoegde waarde) die het recht op aftrek van voorbelasting over diensten voor het bouwen of verbouwen van een aan een derde in eigendom toebehorend onroerend goed, waarbij deze diensten ten behoeve van zowel de dienstontvanger als de derde worden verricht, enkel en alleen beperkt op grond dat de derde het resultaat van deze diensten om niet verkrijgt, zonder dat ermee rekening wordt gehouden dat de diensten voor de economische activiteit van de belastingplichtige dienstontvanger zullen worden gebruikt?
2. Staan de artikelen 26, lid 1, onder b), 168, onder a), en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een belastingpraktijk volgens welke het recht op aftrek van voorbelasting over diensten wordt geweigerd wanneer de uitgaven voor de verrichting ervan werden geboekt als onderdeel van de algemene uitgaven van de belastingplichtige omdat deze diensten werden gebruikt voor het bouwen of verbouwen van een aan een derde in eigendom toebehorend onroerend goed, zonder dat ermee rekening wordt gehouden dat dit onroerend goed ook door de ontvanger van de bouwdiensten voor zijn economische activiteit zal worden gebruikt?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-118/11 EON; C-153/11 Klub
Specifiek beleidsterrein: FIN, EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-136/16 Sociedade Metropolitana de Desenvolvimento

By | EEX (Brussel I), forumkeuzebeding | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX (Brussel I); forumkeuzebeding

Deadline: submit your brief by 11 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2001, L 12, blz. 1) (EEX-verordening);
– Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verzoekster is een regionaal overheidsbedrijf van de autonome regio Madeira (RAM) en heeft als rechtsvorm een NV. Haar maatschappelijk doel is “het ontwerp, de promotie, de bouw en het beheer van projecten, acties en ondernemingen die integraal bijdragen tot de economische, sociale, sportieve en culturele ontwikkeling van de gemeenten (…) in de autonome regio Madeira.” Zij is als kredietnemer financieringsovereenkomsten aangegaan:
– op 13-12-2002 samen met andere kredietnemers een bedrag van € 190.000.000, looptijd tot 2022, bij kredietgever Zarco. De overeenkomst is in Londen/VK gesloten (bij advocatenkantoor Allen & Overy). Betalingen moeten op een bank in Londen worden gedaan; overeenkomst wordt beheerst door Engels recht, de taal is Engels en de rechtbanken van Engeland zijn bevoegd.
– een tweede lening op 30-10-2007, met één andere kredietnemer, een bedrag van € 125.000.000, looptijd tot 2032. Hier zijn kredietgevers Banco Efisa en Banco OPI. Laatstgenoemde is een ITA bank, met zetel Rome. De overeenkomst is in het Engels gesteld.
Verzoekster heeft vervolgens bij verschillende financiële instellingen verzocht om voorstellen te doen ter vermindering van het risico van een hogere rentelast (overheidsschuld). Op 24-03-2006 meldt verzoekster aan Banco Santander Totta (verweerster) dat zij is gekozen om een offerte op te stellen voor een ‘swap’. Het komt tot een contract op 11-05-2006 voor financiële derivaten. Ook dit op 13-06-2006 gedateerde contract (een kaderovereenkomst volgens het model opgesteld door International Swaps and Derivatives Association Inc) wordt beheerst door Engels recht en bevoegdheid van Engelse rechtbanken. Herziening van de swap vond plaats in 2009. Verzoekster start op 02-04-2014 een procedure tegen verweerster tot nietigverklaring van de contracten betreffende de financiële derivaten dan wel ontbinding wegens gewijzigde omstandigheden. De Rb verklaart zich onbevoegd, tegen welke uitspraak verzoekster in beroep gaat. Maar ook het beroep slaagt niet, het wordt 08-09-2015 ongegrond verklaard. Verzoekster wendt zich vervolgens tot de hoogste rechter tot erkenning van de internationale rechtsmacht van POR. Zij stelt dat het forumkeuzebeding óf
– niet binnen de werkingssfeer van Vo. 44/2001 valt aangezien geen sprake is van een grensoverschrijdend bestanddeel; alle bestanddelen liggen in POR zodat evenmin aan de nationale wet is voldaan; óf
– ongeldig is aangezien de keuze voor een Engelse gerechtelijke instantie ernstig ongemak oplevert zonder dat daar enig beschermenswaardig belang tegenover staat.
Verweerster is het met de (lagere) rechterlijke instanties eens dat POR rechters onbevoegd zijn vanwege het forumkeuzebeding.

Voor de verwijzende POR rechter (Hoogste rechter) is het van belang te weten of in de omstandigheden van de onderhavige zaak het forumkeuzebeding op grond waarvan aan de Engelse rechterlijke instanties rechtsmacht toekomt, van toepassing is en zo de POR instanties onbevoegd zijn. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1 – Vormt in een geding tussen twee binnenlandse ondernemingen van een lidstaat over overeenkomsten het bestaan, in die overeenkomsten, van een forumkeuzebeding ten gunste van een andere lidstaat een grensoverschrijdend bestanddeel dat voldoende is opdat verordeningen (EG) nr. 44/2001 en (EU) nr. 1215/2012 toepassing vinden teneinde de internationale rechtsmacht te bepalen, of is het noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat ook andere grensoverschrijdende bestanddelen bestaan?
2 – Kan een forumkeuzebeding buiten toepassing worden gelaten indien de keuze voor de gerechten van een andere lidstaat dan die van de nationaliteit van de partijen voor een van de partijen ernstig ongemak oplevert zonder dat een beschermenswaardig belang voor de andere partij die keuze rechtvaardigt? Ingeval wordt besloten dat naast het forumkeuzebeding andere
grensoverschrijdende bestanddelen moeten bestaan:
3 – Bevatten de swapcontracten tussen Sociedade Metropolitana de Desenvolvimento, SA en Banco Santander Totta voldoende grensoverschrijdende bestanddelen opdat verordeningen (EG) nr. 44/2001 en (EU) nr. 1215/2012 toepassing vinden teneinde met betrekking tot gedingen over die contracten de internationale rechtsmacht te bepalen wanneer:
a) deze entiteiten onderdanen zijn van een lidstaat, Portugal, en in Portugal twee swapcontracten hebben afgesloten, bestaande uit één ISDA Master Agreement en twee „confirmations”, waarover de autonome regio Madeira als vertegenwoordiger van Sociedade Metropolitana de Desenvolvimento, SA heeft onderhandeld;
b) de autonome regio Madeira, bijgestaan door Banco BPI, SA en door een advocatenkantoor, tijdens deze onderhandelingen meer dan één internationale bank heeft verzocht om voorstellen, waaronder JP Morgan;
c) Banco Santander Totta, SA volledig in handen is van Banco Santander, met zetel in Spanje;
d) Banco Santander Totta, SA als internationale bank actief is, met dochterondernemingen in verschillende lidstaten en onder een enkele merknaam, Santander;
e) Banco Santander Totta, SA in de ISDA Master Agreement werd beschouwd als een Multibranch Party, die met betrekking tot om het even welke verrichting betalingen kon uitvoeren en ontvangen via haar dochterondernemingen in Londen of Luxemburg;
f) ingevolge de ISDA Master Agreement de partijen in bepaalde gevallen hun rechten en plichten kunnen overdragen aan andere vertegenwoordigingskantoren of dochterondernemingen;
g) de partijen bij de swapcontracten het Engelse recht als toepasselijk recht hebben gekozen en forumkeuzebedingen hebben gesloten, waarbij de Engelse rechterlijke instanties exclusieve en volledige rechtsmacht wordt toegekend;
h) de contracten in het Engels zijn opgesteld en daarin Angelsaksische terminologie en begrippen worden gebruikt;
i) de swapcontracten zijn gesloten ter afdekking van het risico van rentevoetschommelingen van twee financieringsovereenkomsten, die beide in het Engels zijn opgesteld en werden gesloten met buitenlandse entiteiten (een met zetel in Nederland en een andere met zetel in Italië), waarbij in een van de financieringsovereenkomsten is bepaald dat de kredietnemers de betalingen moeten verrichten op een bankrekening van HSBC Bank Plc, te Londen, op data die zijn bepaald onder verwijzing naar de tijdzone van Londen, en deze contracten zijn onderworpen aan het Engelse recht en de Engelse rechterlijke instanties;
j) Banco Santander Totta, SA als tussenpersoon op de internationale markt heeft gehandeld en in de context van de internationale markt symmetrische risicodekkingscontracten heeft gesloten?
Specifiek beleidsterrein: VenJ, FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-133/16 Ferenschild

By | consumentenbescherming, verjaring | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: consumentenbescherming; verjaring

Deadline: submit your brief by 12 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen

Verzoeker koopt op 21-09-2010 bij JPC Motor (verweerster) een tweedehands motorvoertuig (Volvo). Als hij op 22-09-2010 zijn voertuig wil laten registreren bij de Dienst Inschrijvingen Voertuigen wordt dat geweigerd omdat de auto in het Schengen informatiesysteem (SIS) gesignaleerd staat als gestolen. Hij stelt op 07-10-2010 verweerder aansprakelijk en eist terugname en terugbetaling van de koopprijs. Verweerder onderneemt 14-10-2010 stappen om aan te tonen dat de herkomst van het voertuig volkomen rechtmatig is. Op 07-01-2011 wordt het voertuig alsnog ingeschreven. Verzoeker stelt verweerder dan op 21-10-2011 alsnog in gebreke voor kosten huurauto en andere administratieve kosten in de periode 21-09-2010 – 14-01-2011. Aangezien verweerster verjaring stelt en weigert te voldoen dagvaart verzoeker verweerster op 12-03-2012 (Rb Mons/Bergen); naast de gevraagde onkostenvergoeding eist verzoeker € 2000 vermindering van de koopprijs. (in totaal € 5.499,83). De Rb wijst de vordering af, waarop verzoeker in beroep gaat bij de verwijzende rechter. Het Hof doet op 08-06-2015 uitspraak, oordelend dat er weliswaar een gebrek aan overeenstemming was in de zin van BEL Bw maar dat dit door inschrijving van het voertuig verholpen is. De zaak wordt vervolgens ambtshalve heropend over de vraag van verjaring en omvang van de schade.

De verwijzende BEL rechter (Hof van Beroep Mons/Bergen) stelt vast dat partijen niet betwisten dat de garantietermijn voor het voertuig conform BEL Bw contractueel op één jaar vanaf levering is gesteld en dat de verjaringstermijn voor tweedehandsgoederen één jaar is, te rekenen vanaf de dag waarop de consument het gebrek constateert, zonder dat die termijn vóór het einde van de garantietermijn mag verstrijken. De dagvaarding dateert van 12-03-2012, meer dan één jaar na levering/vaststelling gebrek en verhelping. Nu de garantietermijn contractueel op één jaar is gesteld is de vraag of de verjaringstermijn van één jaar moet worden verlengd tot aan het verstrijken van de voorziene termijn van twee jaar, wanneer die termijn precies tot één jaar is herleid? Over deze kwestie is gedurende de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel gedebatteerd, en ook de rechtsleer heeft zich erover gebogen. Er is echter geen sprake van een eensluidend oordeel. Hij legt dan ook de volgende vraag voor aan het HvJEU:
Moet artikel [5, lid 1,] juncto artikel [7, lid 1, tweede alinea], van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht die aldus wordt uitgelegd dat zij voor tweedehandsgoederen toestaat dat de verjaringstermijn van de vordering van de consument verstrijkt vóór het einde van de termijn van twee jaar te rekenen vanaf de levering van het niet-conforme goed wanneer de verkoper en de consument een garantietermijn van minder dan twee jaar zijn overeengekomen?
Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-139/16 Moreno Marín ea

By | merkenrecht, oneerlijke mededinging | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: merkenrecht; oneerlijke mededinging

Deadline: submit your brief by 12 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2008/95 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten

De drie verzoekers hebben een vordering tot staking ingesteld tegen verweerster Abadía Retuerta wegens inbreuk op verzoekers industriële eigendomsrechten en oneerlijke mededinging wegens oneigenlijk gebruik van het begrip domein in combinatie met het merkteken. Het merk ‘La Milla de Oro’ (klasse 33, wijnen) van verzoekers is op 23-04-2009 geregistreerd bij het SPA octrooibureau. Eerst op naam van eerste verzoeker, en op 26-11-2009 overgedragen aan medeverzoeker Cárdaba.
Verweerster stelt kwade trouw bij registratie van verzoekers aanvraag tot registratie van de merken ‘La Milla de Oro’, ‘Abadía de Retuerta’ en ‘Balneario Retuerta’. In reconventie eist zij nietigverklaring van de inschrijving van ‘La Milla de Oro’ omdat het om een herkomstaanduiding gaat, hetgeen in strijd is met de SPA merkenwet. Verzoekers tonen aan dat zij de inschrijving van ‘Abadía de Retuerta’ hebben ingetrokken en voor ‘Balneario Retuerta’ inschrijving in een andere klasse was gevraagd (44 = diensten van kuuroorden) maar dat inschrijving voor klassen 33 en 34 werd gegeven omdat niet was voldaan aan de inschrijvingseisen voor klasse 44. Het teken ‘La Milla de Oro’ hebben verzoekers ook gebruikt voor inschrijving in andere klassen, zoals 16 (publicaties), 39 (excursies), 43 (restauratie) enz. Verzoekers ontkennen kwade trouw bij aanvraag. De handelsrechter wijst op 29-07-2014 verzoekers vordering af en de vordering in reconventie toe. De inschrijving ‘La Milla de Oro’ wordt nietig verklaard wegens de herkomstaanduiding. Over de andere merken wordt geen uitspraak gedaan. Verzoekers gaan in beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende SPA rechter (Provinciale Rb Burgos) stelt partijen voor de kwestie aan het HvJEU voor te leggen. Verzoekers menen dat het HvJEU al eisen heeft geformuleerd waaraan moet zijn voldaan om van een geografische aanduiding te spreken, hetgeen in casu niet het geval is. Verweerster vindt het stellen van vragen niet nodig omdat het HvJEU reeds heeft erkend dat voor de toepassing van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 indirecte aanduidingen (zoals ‘Milla de Oro’) die, zonder dat er sprake is van een geografische aanduiding die rechtstreeks verwijst naar een plaats, in het hoofd van de consument tot een associatie leiden met een bepaalde plaats of bepaald geografisch gebied, kunnen worden aangemerkt als herkomstaanduidingen.
Voor de verwijzende rechter blijkt uit de stukken, websites van gemeenten en kranten duidelijk dat ‘Milla de Oro’ wordt gebruikt ter aanduiding van een gebied waar wijn wordt geproduceerd. Verzoekers stellen dat het om een fantasienaam gaat die ook gebruikt wordt om luxemerken aan te duiden (zoals een deel van een straat in Madrid waar dure winkels zitten). Gezien verweersters eis tot nietigverklaring op grond van herkomst (artikel 5, lid 1, onder c van RL 2008/95) ziet de rechter zich, gezien het verbod op ultra petita, genoodzaakt zich met betrekking tot de herkomstaanduiding tot het HvJEU te wenden. Hij legt daar de volgende vragen neer:
1. Omvat het verbod als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 mede het gebruik van een teken dat verwijst naar het kenmerk van waren of diensten dat deze in overvloed op een en dezelfde plaats kunnen worden aangetroffen met een hoge waarde en kwaliteit?
2. Is een dergelijk teken aan te merken als een teken waarmee de plaats van herkomst wordt aangeduid, aangezien de concentratie van waren of diensten zich steeds voordoet op een bepaalde locatie?
Specifiek beleidsterrein: EZ en VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-131/16 Archus et Gama

By | overheidsopdrachten | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: overheidsopdrachten

Deadline: submit your brief by 15 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp:
– Richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten;
– Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten

De overheidsopdracht in deze zaak betreft digitalisering van stukken en beschikbaar maken in het netwerk van de aanbestedende dienst, de POL aardolie- en aardgasproductiemaatschappij (verweerster). Verzoekster, een combinatie, schrijft in op de opdracht. Eén van de essentiële voorwaarden van de opdracht is (de kwaliteit van) het microfilmen, waaraan in de opdracht specifieke eisen zijn gesteld. Inschrijvers moeten daarvan een proefset overleggen. Nadat verzoekster een inschrijving heeft ingediend vraagt zij 15-10-2015 om een correctie te mogen aanbrengen aangezien de ingeleverde proef niet de proef was die zij had willen inleveren. De aanbestedende dienst laat 17-11-2015 weten dat de nieuw toegezonden microfilm als een aanvulling wordt beschouwd, en vraagt tevens om aanvullende informatie over methode van microfilmen en technische kenmerken die bij eerste aanbieding ontbraken. Daarna wordt de inschrijving alsnog afgewezen omdat die (voor wat betreft beide proefsets) niet aan de gespecificeerde essentiële voorwaarden voldeed. De opdracht wordt gegund aan Digital Center (DC). Verzoekster vraagt de Aanbestedingskamer om herziening van de beslissing. Zij stelt dat de inschrijving van DC niet voldoet aan de procedurevoorwaarden en eist alsnog toewijzing van de opdracht. Verweerster zou het met name onmogelijk hebben gemaakt de regelmatige uitvoering van de aanbesteding te controleren. Verzoekster stelt dat de proefset van DC niet aan de gestelde eisen voldeed en dan ook had moeten worden afgewezen. Zij is het ook niet eens met het oordeel van verweerster dat haar proefset niet aan de vereisten voldeed. Verweerster stelt een deskundige te hebben ingeschakeld om de ingeleverde proefsets te beoordelen. Op grond van het deskundigenrapport heeft zij haar besluit genomen. DC intervenieert in de zaak en wijst op de door verzoekster ingediende gecorrigeerde versie, die in strijd met de aanbestedingswet is aanvaard (want enkel toegestaan na verzoek daartoe door de aanbestedende dienst).

De verwijzende POL rechter (Aanbestedingskamer) stelt vragen in deze zaak wegens het belang voor het grensoverschrijdende dienstenverkeer. Het HvJEU heeft met name gewezen op het discriminatieverbod en het transparantievereiste waaraan moet worden voldaan. Hier gaat het om de aanvulling van de in de gestelde eisen gevraagde documentatie en proefsets, waartoe in de POL wet geen voorbehoud is gemaakt. Dit had echter wel een wijziging van de inschrijving tot gevolg en partijen zijn het oneens over de gevolgen daarvan voor de aanbesteding. In C-599/10 heeft het HvJ benadrukt dat de aanbestedende dienst geen enkele wijziging van de inschrijving moet verlangen of accepteren. Daarnaast stelt hij nog een vraag over het procesbelang van verzoekster. De vragen luiden als volgt:
Vraag 1: Moet artikel 10 van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst verplicht kan zijn de aanbieders die niet binnen de voorgeschreven termijn (dat wil zeggen de termijn voor indiening van de inschrijvingen) de door de aanbiedende dienst verlangde “verklaringen of documenten” hebben ingediend, die bevestigen dat de aangeboden leveringen, diensten of werken voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen (waarbij het begrip “verklaringen of documenten” ook proeven van het voorwerp van de opdracht omvat), of die de verlangde “verklaringen of documenten” hebben ingediend terwijl deze fouten bevatten, te verzoeken de ontbrekende respectievelijk verbeterde “verklaringen of documenten” (proeven) binnen een vastgestelde, aanvullende termijn in te dienen zonder dat een verbod wordt ingesteld op grond waarvan de aangevulde “verklaringen of documenten” (proeven) de inhoud van de inschrijving niet mogen wijzigen?
Vraag 2: Moet artikel 10 van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst de cautie van de aanbieder mag houden wanneer deze, nadat hem door de aanbestedende dienst om aanvulling was verzocht, geen “verklaringen of documenten” (proeven) heeft ingediend die bevestigen dat de aangeboden leveringen, diensten of werken voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen, indien een dergelijke aanvulling zou leiden tot wijziging van de inhoud van de inschrijving of de aanbieder het niet eens was met de door de aanbiedende dienst aangebrachte verbetering in de inschrijving, met als gevolg dat de inschrijving van de aanbieder niet als gunstigste inschrijving kon worden geselecteerd?
Vraag 3: Moet artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, in die zin worden uitgelegd dat onder een “bepaalde opdracht”, waarvan in die bepaling sprake is in het tekstfragment “belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht”, een “bepaalde procedure die is doorlopen voor de gunning van een overheidsopdracht” (hier: bekendgemaakt bij kennisgeving van 3 juni 2015) moet worden begrepen, of dat daarmee een “bepaald voorwerp van de opdracht” (hier: de dienst om stukken uit het archief van de aanbestedende dienst te digitaliseren) wordt bedoeld, ongeacht of door rekening te houden met het herzieningsverzoek de aanbestedende dienst verplicht zal zijn de lopende procedure tot gunning van een overheidsopdracht nietig te verklaren en eventueel een nieuwe procedure tot plaatsing van een overheidsopdracht te openen?
Aangehaalde jurisprudentie: C-91/08 Wall; C-599/10 SAG ELV Slovensko e.a.
Specifiek beleidsterrein: EZ en BZK

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-146/16 Verband Sozialer Wettbewerb

By | consumentenbescherming, oneerlijke handelspraktijken | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken

Deadline: submit your brief by 18 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van (enz, Pb L 149, blz. 22)

Verzoekster, een bond van onder meer electro(nica)artikelen en postorderbedrijven die allerlei soorten goederen aanbieden, heeft verweerster DHL gedaagd wegens een advertentie in de ‘Bild am Sonntag’ van 02-12-2012. Verzoekster meent dat verweerster haar verplichting niet nakomt de identiteit en het geografische adres te vermelden ten behoeve van bezoekers aan het in de advertentie genoemde platform. De rechter wijst de vordering toe, maar in hoger beroep wordt die alsnog afgewezen omdat de rechter oordeelt dat de op de website gehanteerde methode met links in de rubriek ‘informatie over de aanbieder’ voor de consument voldoende herkenbaar is. Hij oordeelt ook dat het in alle rust van achter de computer aankopen doen niet is te vergelijken met kopen in een winkel, gadegeslagen door verkooppersoneel. Verzoekster vraagt en krijgt Revision.

Alvorens de verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) kan beslissen in de zaak vraagt hij nadere uitleg door het HvJEU van artikel 7, lid 4, onder b) van RL 2005/29. Om te beoordelen of verweerster zich schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken moet worden gekeken of sprake is van het achterhouden van voor de consument essentiële informatie voor het nemen van een aankoopbesluit. De identiteit en het geografische adres van een aanbieder op internet worden beschouwd als essentiële informatie. De DUI wetgever heeft het in de RL gebruikte begrip ‘uitnodiging tot aankoop’ niet overgenomen en gekozen voor de omschrijving dat goederen of diensten zo worden aangeboden dat het een gemiddelde consument mogelijk wordt gemaakt om de transactie te sluiten en zo heeft ook het HvJEU in rechtspraak geoordeeld. In de gewraakte advertentie worden vijf concrete producten afgebeeld, hetgeen essentiële informatie is om al dan niet over te gaan tot aankoop. Daarvoor moeten geïnteresseerden de verkoopsite raadplegen. In jurisprudentie van het HvJEU is bepaald dat het raadplegen van een verkoopsite gelijkgesteld kan worden met het betreden van een winkel. Het verdient dan ook de voorkeur dat informatie betreffende identiteit en geografisch adres al in de advertentie is opgenomen. D verwijzende rechter twijfelt echter of dit op grond van de RL verplicht is. De aan het HvJEU voorgelegde vragen luiden als volgt:
1. Moet de informatie betreffende het geografische adres en de identiteit van de handelaar in de zin van artikel 7, lid 4, onder b), van richtlijn 2005/29/EG al in de reclameadvertentie voor concrete producten in een gedrukt medium worden verstrekt, ook wanneer de consumenten de geadverteerde producten uitsluitend via een in de advertentie vermelde website van de adverterende onderneming kopen, en zij de overeenkomstig artikel 7, lid 4, van de richtlijn noodzakelijke informatie eenvoudig op of via deze website kunnen verkrijgen?
2. Is het voor het antwoord op de eerste vraag van belang of de in het gedrukte medium adverterende onderneming voor de verkoop van eigen producten reclame maakt en voor de overeenkomstig artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG noodzakelijke informatie rechtstreeks naar een eigen website verwijst, dan wel reclame maakt voor producten die door andere ondernemingen op een internetplatform van de adverteerder worden verkocht en de consument de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn bedoelde informatie pas kan ontvangen na één of meerdere verdere stappen (klikken) via links naar de websites van deze andere ondernemingen, die uitsluitend beschikbaar zijn op de in de reclame vermelde website van de platformexploitant?
Aangehaalde jurisprudentie: C-122/10 Ving Sverige; C-281/12 Trento Sviluppo
Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-138/16 AKM

By | auteursrecht, mededeling aan het publiek | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: auteursrecht; mededeling aan het publiek

Deadline: submit your brief by 18 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij.

Verzoekster AKM (Autoren, Komponisten und Musikverleger) is een overkoepelende organisatie op grond van de Wet op de rechtenbeheerders. Conform de wettelijke regeling staat zij onder toezicht van het OOS MinJUS. Verzoekster regelt voor de aangesloten leden de rechten op muziekwerken.
Verweerster Zürs.net exploiteert een kabelnetwerk (in Zürs) via welk radio- en tv-uitzendingen integraal worden doorgegeven aan de abonnees. Het gaat om diverse programma’s, zowel van OOS als van DUI origine, publiek en commercieel, en analoog en digitaal. Verzoekster biedt via een glasvezelnetwerk verschillende diensten zoals internet, tv en telefonie. Het betreft hier (de exploitatie van) een ‘antenne-installatie voor kleine gemeenschappen’ in de zin van de OOS auteurswet, en verweerster breidt deze diensten steeds verder uit. In de programma’s worden ook werken uitgevoerd waarvan verzoekster de rechten beheert. Verzoekster eist informatie van verweerster over het aantal abonnees op verschillende tijdstippen en opgave van de op die tijdstippen doorgegeven programma’s. Zij eist subsidiair een vergoeding voor oorspronkelijk niet uit OOS afkomstige werken (op grond van de Berner Conventie). Verzoekster stelt dat de uitzonderingsbepaling in de OOS ten behoeve van kleine gemeenschappen strijdig is met verdragen en het EUrecht en wijst op de herziene Berner Conventie (1967/1971). Kabelexploitanten met niet meer dan 500 aansluitingen voldoen niet aan de vereisten van de ‘tweestapstoets’ op basis waarvan beperkingen slechts bij uitzondering mogen worden toegepast. Zij wijst op de jurisprudentie van het HvJEU, waarin met name is bepaald dat aan de ‘mededeling aan het publiek’ een ruime betekenis moet worden gegeven. Verzoekster twijfelt er niet aan dat de door verweerster geëxploiteerde ‘gemeenschappelijke antenne-installatie’ aan de voorwaarden voor ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van de RL voldoet, zodat verweerster daarvoor toestemming nodig heeft en een vergoeding zal moeten betalen.

De verwijzende OOS rechter (Handelsgericht Wien) legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Moeten artikel 3, lid 1, respectievelijk artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, respectievelijk artikel 11 bis, lid 1, punt 2, van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst in de versie van Stockholm/Parijs 1967/1971 aldus worden uitgelegd dat een regeling, waarbij de doorgifte van omroepuitzendingen via “gemeenschappelijke antenne-installaties” zoals die van verweerster in het hoofdgeding
a) niet wordt beschouwd als een nieuwe omroepuitzending wanneer bij de installatie niet meer dan 500 abonnees zijn aangesloten en/of
b) wordt beschouwd als een onderdeel van de oorspronkelijke omroepuitzending wanneer het de gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de Oostenrijkse omroeporganisatie door middel van binnenlandse leidingen betreft, en deze vormen van gebruik evenmin onder een ander uitsluitend recht van mededeling aan het publiek met een element van afstand in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG vallen, en derhalve niet afhankelijk zijn van de toestemming van de auteur en hiervoor dus ook geen vergoedingsplicht geldt, strijdig is met het Unierecht respectievelijk met het recht van de Berner Conventie als binnen de rechtsorde van de Unie vallende internationale overeenkomst?
Aangehaalde jurisprudentie: C-306/05 SGAE; C-136/09 Organismos Syllogikis Diacheirisis Dimiourgon Theatrikon kai Optikoakou
Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-145/16 Aramex Nederland

By | douane-indeling (Gecombineerde Nomenclatuur – GN) | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: douane-indeling (Gecombineerde Nomenclatuur – GN)

Deadline: submit your brief by 19 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 2002/24/EG betreffende de goedkeuring van twee- en driewielige motorvoertuigen;
– Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 301/2012 van de Commissie van 2 april 2012 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

Verzoekster heeft op 17-04-2013 aangifte gedaan van in het vrije verkeer brengen van een vervoermiddel (‘Spyder’) onder code 8711 5000 (= motorrijwielen). De Spyder is een driewielig voertuig (twee wielen voor, één achter, geschikt voor vervoer van twee personen. De overige gegevens van het voertuig staan genoemd onder punt 2 van de beschikking. Omdat de Inspecteur (verweerder) indeling voorstaat onder 8703 21 10 (automobielen en andere motorvoertuigen, nieuw) ontvangt verzoekster een heffing douanerechten waartegen zij bezwaar maakt. Dit wordt 10-09-2013 door verweerder (Inspecteur) afgewezen waarna verzoekster beroep aantekent. De Rb verklaart op 08-12-2014 het beroep ongegrond. De zaak ligt nu voor in hoger beroep bij de verwijzende rechter. Het geschil gaat over de indeling in de GN.
De ‘Spyder’ heeft model gestaan voor uitvoeringsVo. 301/2012 van de EURCIE. Verzoekster meent dat die Vo. niet geldig is omdat de Spyder bij een juiste toepassing van de indelingsregels onder post 8711, en niet onder 8703, moet worden ingedeeld.

De verwijzende NL rechter (Gerechtshof Amsterdam) haalt vaste rechtspraak van het HvJEU aan over het beslissende criterium voor tariefindeling: de objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals omschreven in de GN en in de daarbij gemaakte aantekeningen. Op grond van de bewoordingen van de beide GN-posten kan niet eenduidig worden vastgesteld onder welke van de twee de Spyder moet worden ingedeeld. In C-215/10 is het HvJEU nader ingegaan op de indeling van driewielige voertuigen. De rechter gaat vervolgens eerst aan de hand van de toelichting na of indeling onder 8703 mogelijk is. Hij stuit daarbij op vragen over de gebruikte banden en met name over de stuurinrichting. Wat het laatste betreft vraagt hij zich af of de toelichting op het geharmoniseerd systeem (GS) juist is. De Spyder beschikt over een stuurgeometrie die voldoet aan het Ackerman-principe maar voor het overige wijkt de stuurinrichting sterk af van die van een automobiel; zo heeft het de vorm van een (motor)fietsstuur en ook de werking is geheel anders. In de bijlage bij UitvoeringsVo. 301/2012 is aangegeven dat de Spyder een stuursysteem heeft zoals van een auto. Hij legt dan ook de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Is Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 301/2012 van de Commissie van 2 april 2012, tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, geldig?”
Aangehaalde jurisprudentie: C-205/10 Pacific World Ltd; C-344/14 Kyowa Hakko Europe
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-147/16 Karel de Grote Hogeschool – Katholieke Hogeschool Antwerpen

By | ambtshalve toetsing, consumentenbescherming | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: consumentenbescherming; ambtshalve toetsing

Deadline: submit your brief by 19 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Verzoekster is een onderwijsinstelling. Zij heeft een geschil met een leerling (verweerster) over betaling van het inschrijfgeld (2012-2013 en 2013/2014) plus een bijdrage voor een studiereis. Verweerster kon het bedrag niet in één keer betalen; zij krijgt een betalingsregeling maar blijft, ook na aanmaning door verzoekster, in gebreke. In het renteloos afbetalingsplan is een boetebeding opgenomen van 10% per jaar over de uitstaande schuld en nog eens 10% daarvan voor de invorderingskosten. Verweerster wordt 27-11-2015 gedagvaard. Zij verschijnt niet en wordt niet vertegenwoordigd. Bij (verstek-)tussenvonnis van 04-02-2016 wordt de hoofdsom toegekend maar de beslissing over het bedrag aan rente en invorderingskosten wordt aangehouden omdat de rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van de BEL regeling met EUrecht.

De verwijzende BEL rechter (kantonrechter Antwerpen) vraagt zich met name af of hij bij verstek ambtshalve mag onderzoeken of de overeenkomst tussen partijen onder het toepassingsgebied van de nationale regelgeving (implementatie van RL 93/13) valt, aangezien volgens BEL recht dat alleen is toegestaan indien de regelgeving van openbare orde is, en dat is naar BEL recht niet met zekerheid vastgesteld. Het HvJEU heeft weliswaar vastgesteld dat wanneer een overeenkomst onder het toepassingsgebied van de RL valt, de rechter ambtshalve moet onderzoeken of de overeenkomst eerlijk is, maar daarmee niet geoordeeld dat ambtshalve toetsing ook moet als nationale regels stellen dat de rechter enkel bevoegd is om ambtshalve na te gaan of de vordering in strijd is met de openbare orde. Daarnaast moet hij de vraag beantwoorden of verzoekster een ‘onderneming’ is in de zin van het EUrecht, aangezien dit op grond van de BEL regelgeving niet het geval is. En als laatste komt bij hem de vraag op of BEL recht strijdt met de RL door de regelgeving op onrechtmatige bedingen te beperken tot overeenkomsten tussen consumenten en ondernemingen. In de BEL wet is in 2010 de term ‘verkoper’ vervangen door ‘onderneming’. In de RL wordt wel gesproken van ‘verkopers’, zodat de RL op de overeenkomst tussen verzoekster en verweerster van toepassing is. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Is de nationale rechter, wanneer bij hem tegen een consument een vordering is ingesteld over de uitvoering van een overeenkomst en hij op grond van de nationale regels van procesrecht enkel bevoegd is ambtshalve na te gaan of de vordering in strijd is met nationale regels van openbare orde, op dezelfde wijze bevoegd om ambtshalve, zelfs bij verstek, na te gaan en vast te stellen dat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van de richtlijn betreffende de oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten valt zoals geïmplementeerd in het Belgisch recht?
2. Is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs tegen betaling van een inschrijvingsgeld eventueel te vermeerderen met bedragen ter terugbetaling van de door de onderwijsinstelling gemaakte kosten te beschouwen als een onderneming in de zin van het Europees recht?
3. Valt een overeenkomst tussen een consument en een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling die verband houdt met het verstrekken van gesubsidieerd onderwijs door deze instelling onder de werking van de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs te beschouwen als een verkoper in de zin van de richtlijn?
Aangehaalde jurisprudentie: C-488/11 Asbeek Brusse
Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-144/16 Município de Palmela

By | gevolgen niet-nakoming meldingsplicht bij de EURCIE, technische voorschriften | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: technische voorschriften; gevolgen niet-nakoming meldingsplicht bij de EURCIE

Deadline: submit your brief by 19 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 98/34/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en houdende regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd door richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van richtlijn 98/34/EG (enz)

Verweerster (POR voedsel- en warenAut) heeft verzoekster een boete opgelegd wegens inbreuk op veiligheidsvereisten voor speeltoestellen, zoals vastgelegd in een wet van 19-05-2009 die een eerdere wet uit 1997 wijzigt. Verzoekster gaat in beroep, en bij arrest van 03-04-2014 heeft de Rb de (gewijzigde) wet buiten toepassing verklaard en het besluit vernietigd. Verweerster neemt een nieuw besluit op 30-01-2016 waarbij verzoekster opnieuw een boete wordt opgelegd. Verzoekster stelt dat de (gewijzigde) wet niet van toepassing is omdat de gewijzigde wetteksten niet zoals voorgeschreven bij RL 98/34 ter kennis van de EURCIE zijn gebracht.

De verwijzende POR rechter (Handelsrechter Setubal) concludeert dat EULS daadwerkelijk verplicht zijn om de EURCIE alle normen mee te delen die technische voorschriften of specificaties bevatten, alsook latere wijzigingen die een verandering van het toepassingsgebied of een verkorting van het oorspronkelijk geplande tijdschema voor de toepassing tot gevolg hebben of specificaties of eisen toevoegen waardoor de regeling stringenter wordt. De nieuwe wet uit 2009 wijzigt de oorspronkelijke wet van 1997 op verschillende punten, met name op het gebied van veiligheid en etikettering. De rechter vraagt zich of het verzuim om de wettelijke regeling ter kennis te brengen enkel leidt tot de niet-toepasselijkheid van de technische normen die niet ter kennis zijn gebracht, zoals de eerste rechter heeft vastgesteld, dan wel moet leiden tot de niet-toepasselijkheid van de hele wettelijke regeling waarin deze normen vervat zijn, zoals verzoekster betoogt. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
a) Gelet op het feit dat het reglement betreffende de veiligheidsvereisten die in acht moeten worden genomen bij de lokalisering, de inplanting, het ontwerp en de functionele organisatie van speeltuinen, speeltoestellen en impactzones, is vastgesteld bij Decreto-Lei nr. 379/97 van 27 december 1997;
b) Gelet op het feit dat Decreto-Lei nr. 379/97 van 27 december 1997 is gewijzigd door Decreto-Lei nr. 119/2009 van 19 mei 2009, waarbij sommige technische normen anders zijn geformuleerd en extra technische normen zijn ingevoerd, en waarbij dit reglement, waarvan laatstgenoemd decreet een integrerend deel uitmaakt1, opnieuw is bekendgemaakt,
c) Gelet op het feit dat geen van bovengenoemde nationale wetteksten ter kennis is gebracht van de Europese Commissie in het kader van een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften in de zin van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998, zoals gewijzigd door richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, die in Portugees recht is omgezet bij Decreto-Lei nr. 58/2000 van 18 april 2000:
1. Moet de nationale rechter een nationale wettelijke regeling die technische normen invoert en in strijd met de bepalingen van richtlijn 98/34/EG niet ter kennis is gebracht van de Europese Commissie volledig buiten toepassing verklaren, of enkel de nieuwe technische normen die bij deze wettelijke regeling zijn ingevoerd? Of
2. Moet een nationale wettelijke regeling die technische normen invoert en in strijd met de bepalingen van richtlijn 98/34/EG niet ter kennis is gebracht van de Europese Commissie volledig buiten toepassing worden verklaard, of moet deze sanctie worden beperkt tot de nieuwe technische normen die bij deze wettelijke regeling zijn ingevoerd?
3. Zijn alle in bovengenoemd reglement vermelde technische normen niet toepasselijk of enkel de technische normen die zijn gewijzigd of ingevoerd bij Decreto-Lei nr. 119/2009 van 19 mei 2009?
Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-155/16 Sarval Sud-Est ea

By | aanbestedende dienst, overheidsopdrachten, staatssteun | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: overheidsopdrachten; staatssteun; aanbestedende dienst

Deadline: submit your brief by 22 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten

De zaak betreft overheidsopdrachten tot verwerking van vee dat niet voor consumptie geschikt is. De FRA staat bepaalde de prijs voor de verwerking. Financiering vond plaats uit een daartoe ingesteld fonds dat werd gevuld door belasting te heffen over de verwerking. Het HvJEU heeft in C-126/01 bepaald dat dit staatssteun voor de veehouders en slachthuizen oplevert aangezien het ophalen van het vee kosteloos geschiedt. Deze kosten zouden inherent zijn aan de economische activiteit van veehouders en slachthuizen. Het door FRA aangevoerde gezondheidsveiligheidsbeleid werd afgewezen: het Verdrag maakt geen onderscheid naar redenen voor overheidsinterventies. In 2004 is de regeling gewijzigd: veehouders betalen voortaan samen met de distributeurs een belasting ‘over de slachting’. Er zijn toen privaatrechtelijke (beroeps)verenigingen zonder winstoogmerk opgericht (ATMs = Animaux Trouvés Morts) die hun kas vullen met vrijwillige bijdragen (VB). Sinds 2008 bepaalt een wet dat het weghalen van kadavers een taak van openbare dienst is. Veehouders zijn verplicht kadavers aan een erkende entiteit toe te vertrouwen, hetgeen zij aan de hand van contracten moeten kunnen aantonen. In sommige sectoren heeft de Staat de VB aan de ATMs verplicht gesteld (‘VVB’). In zaak C-677/11 heeft het HvJEU bepaald dat het ‘algemeen verbindend verklaren’ van bijdragen geen bestanddeel van een steunmaatregel vormt, het betreft bijdragen die privaatrechtelijk van aard blijven.
In mei 2013 wordt door verweersters (ATMs die gezamenlijk een aankoopcentrale hebben opgericht) een openbare aanbesteding (ook in PbEU) uitgeschreven tot verwerking van dood gevonden vee. De procedure wordt echter beëindigd omdat verweersters meenden niet gehouden te zijn aan de regels voor overheidsopdrachten. Zij sluiten vervolgens overeenkomsten met verzoeksters. Drie daarvan (behorend tot het Saria-concern) starten een procedure tot nietigverklaring (twee andere worden tot interventie gedwongen) omdat de aanbestedende dienst de regels niet zou hebben nageleefd. De rechter wijst de vordering af omdat de ATMs geen aanbestedende dienst zijn in de zin van RL 2004/18.

De verwijzende FRA rechter (Hof van Cassatie) stelt vast dat ATMs niet voorkomen op de bijlage bij RL 2004/18. De Staat heeft oprichting wel aangemoedigd, maar dit niet verplicht. De vraag of de ATMs zijn opgericht en als doel hebben om specifiek tegemoet te komen aan behoeften van algemeen belang kan hij niet zonder meer beantwoorden. Zij maken geen gebruik van publieke middelen maar mogen verplichte (vrijwillige) bijdragen innen. Daarop is staatstoezicht in de wet geregeld; een overheidsvertegenwoordiger kan deelnemen aan beraadslagingen maar heeft slechts een raadgevende stem. Het HvJEU heeft in C-526/11 voor recht gezegd aan welke criteria het toezicht zou moeten voldoen. Onderstaande vragen zijn volgens de verwijzende rechter nog niet eerder door het HvJEU beantwoord:
1/ Moet artikel 1 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten aldus worden uitgelegd dat privaatrechtelijke verenigingen die door de betrokken beroepsverenigingen zijn opgericht om contracten te sluiten voor het verwerken van vee dat niet voor consumptie geschikt is, waarvan de financiering voor rekening van de leden van die verenigingen komt, die daarvoor bijdragen storten, als publiekrechtelijke instellingen moeten worden aangemerkt op grond van het criterium dat dergelijke instellingen moeten worden opgericht om specifiek tegemoet te komen aan behoeften van algemeen belang die niet industrieel of commercieel zijn?
2°/ Moet artikel 1 van de voornoemde richtlijn 2004/18/EG aldus worden uitgelegd dat de aldus beschreven verenigingen, met name zij die verplichte bijdragen innen, voldoen aan het criterium om als publiekrechtelijke instelling te worden aangemerkt, dat verband houdt met het bestaan van toezicht van de overheid op hun beheer, nu dat economisch en financieel toezicht van de Staat een extern toezicht is op de economische activiteit en het financieel beheer van de betrokken ondernemingen en instellingen en als doel heeft de risico’s van die ondernemingen en instellingen te analyseren en hun prestaties te beoordelen en daarbij de financiële belangen van de Staat te behartigen, en de beambte die is belast met de uitoefening van het toezicht voor de uitoefening van zijn taak alle onderzoeksbevoegdheden heeft op basis van documenten of ter plaatse, dat de onder toezicht geplaatste onderneming of instelling hem alle informatie moet bezorgen die noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taak, met inbegrip van de informatie betreffende de dochterondernemingen die zich binnen haar consolidatiekring bevinden, dat hij desgevallend alle bijkomende informatie opvraagt, dat hij met raadgevende stem mag deelnemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur of van toezicht of van het dienstdoend beraadslagend orgaan en de comités of commissies die het kan oprichten, dat hij de vergaderingen van de comités, de commissies en alle adviserende organen die binnen de onderneming of de instelling bestaan alsmede de algemene vergaderingen mag bijwonen, en dat hij de uitnodigingen, agenda’s, en alle andere documenten die vóór elke vergadering moeten worden verstuurd, onder dezelfde voorwaarden als hun leden ontvangt?
Aangehaalde jurisprudentie: C-526/11 IVD; C-677/11 Doux Élevages
Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-159/16 Starptautiskā lidosta Rīga

By | discriminatie, mededinging, misbruik machtspositie, staatssteun | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: mededinging; staatssteun; misbruik machtspositie; discriminatie

Deadline: submit your brief by 22 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– VWEU artikel 102 (machtsmisbruik); artikel 107 en 108 (staatssteun),
– Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag

Verzoekster is de internationale luchthaven van Riga, een publieke NV. Verweerster, de LET mededingingsAut (LMa) heeft bij besluit van 10-02-2012 vastgesteld dat sprake is van misbruik van machtspositie (VWEU artikel 102 c – ongelijke voorwaarden) door het vaststellen van verschillende luchthaventarieven voor (gelijke diensten van) luchtvaartondernemingen (het gaat om Air Baltic en RyanAir). Verzoekster gaat in beroep tegen de opgelegde boete. Zij stelt dat mogelijkerwijs sprake is van schending verbod op staatssteun, maar niet van machtsmisbruik. Zij is onder druk van haar eigenaar (LET Staat) de overeenkomst met Ryanair aangegaan waarin sprake is van lagere luchthaventarieven. Zij stelt dat zij insolvent zou worden indien voor alle gebruikers dezelfde tarieven worden gehanteerd. Zij wijst op de beslissende invloed van de Staat op de overeenkomst en dat de doelstellingen van publiek belang zijn. De administratieve rechter wijst verzoekster er 20-12-2013 op dat op grond van de wettelijke regeling wanneer uit hoofde van een civielrechtelijke overeenkomst steun wordt ontvangen de terugvordering valt onder Brv. Hij kan dan ook geen oordeel vellen over de vermeende illegale staatssteun. Verzoekster dient zich in ieder geval te houden aan de bepalingen van het mededingingsrecht. Tegen die uitspraak gaat verzoekster in cassatieberoep. Zij stelt dat de rechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat VWEU artikel 107, lid 1 een lex specialis is ten aanzien van artikel 102, gezien de bekostiging met staatsmiddelen. En indien wordt erkend dat het discriminatieverbod impliceert dat dezelfde tarieven worden gehanteerd dan zou dat tot gevolg hebben dat in nog meer gevallen sprake is van onrechtmatige staatssteun. Zij wijst op een door haar ingediende klacht in januari 2014 bij de EURCIE over vermeende illegale staatssteun, welke zaak nog loopt en als gevolg waarvan onderhavige zaak zou moeten worden geschorst totdat de EURCIE heeft beslist. Verweerster blijft bij haar mening dat de kern van de zaak ligt in schending van VWEU artikel 102.

De verwijzende LET rechter (afdeling bestuursrechtspraak Hooggerechtshof) heeft de EURCIE onderstaande vragen voor advies voorgelegd maar de EURCIE heeft daarop geen duidelijk antwoord kunnen geven. Hij legt zijn vragen dan ook alsnog voor aan het HvJEU:
1) Moeten de artikelen 102 en 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aldus worden uitgelegd dat een en dezelfde handeling van een overheidsonderneming tegelijk kan worden beoordeeld vanuit het perspectief van staatssteun (mogelijke verlening van staatssteun aan een klant of handelspartner) en vanuit het perspectief van machtsmisbruik (prijsdiscriminatie)?
2) Bestaat er tussen die twee beoordelingen een rangorde of hiërarchie?
3) Mag de overheid of een rechterlijke instantie bij de behandeling van een mededingingszaak die betrekking heeft op prijsdiscriminatie ten opzichte van klanten of handelspartners van een overheidsonderneming, verklaren dat de handeling van een marktdeelnemer een schending oplevert van artikel 102 VWEU als die schending het gevolg is van de omstandigheid dat staatssteun is verleend zonder dat het vooronderzoek als bedoeld in artikel 108, lid 3, VWEU heeft plaatsgevonden?
Specifiek beleidsterrein: EZ en IenM

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-156/16 Tigers

By | anti-dumping, douanewetboek, Gecombineerde nomenclatuur (GN) | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: douanewetboek; anti-dumping; Gecombineerde nomenclatuur (GN)

Deadline: submit your brief by 22 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17);
– Verordening (EU) nr. 1072/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op tafel- en keukengerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 318,blz. 28);
– Uitvoeringsverordening (EU) nr. 412/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op keuken- en tafelgerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 131, blz. 1

Verzoekster heeft als vertegenwoordigers van firma X tafelgerei van keramiek (GN 6911 en 6912) in DUI geïmporteerd uit VRC en 17-12-2012 bij verweerster (douane) aangegeven. De factuur vermeldt ‘tassen en theepotten’. Verweerster wijzigt de TARIC-code en omdat op moment aangifte geen factuur met ondertekende verklaring van de producent voorligt vordert zij 17-12-2012 op grond van Vo. 1072/2012 een waarborgsom voor voorlopig antidumpingrecht; bij beschikking van 28-06-2013 wordt het bedrag nader vastgesteld op grond van Vo. 412/2013, zonder dat verweerster alsnog de geldige handelsfactuur eist. Verzoekster overlegde de factuur waarop de leverancier was ingevuld op 12-11-2012 en verzocht daarbij om terugbetaling van het antidumpingrecht. Op 02-10-2013 weigert verweerster daaraan te voldoen omdat een achteraf overgelegde factuur (bij besluit van DUI MinFIN) niet kan worden erkend. Verzoekster tekent bezwaar aan (04-11-2013) en overlegt op 05-05-2014 een gewijzigde factuur van de producent, waarop ook de naam van de opsteller is aangegeven alsmede de in 2014 geldige aanvullende TARIC-code. Verzoeksters bezwaar wordt 24-02-2015 afgewezen. De factuur met verklaring had al bij de douaneaangifte moeten worden overgelegd.

Bij de verwijzende DUI rechter (Finanzgericht München) roept het geding met name de vraag op of ter verkrijging van een bepaald antidumpingrecht de (correcte) rekening met een verklaring van de producent van de Chinese afzender ook na aanvaarding van de douaneaangifte en berekening van een definitief antidumpingrecht nog bij het douanekantoor kan worden ingediend. Hij oordeelt dat het EUrecht geen regeling bevat die overlegging achteraf van een correcte factuur uitsluit, maar dat het individuele recht enkel wordt uitgesloten indien de importeur helemaal geen handelsfactuur overlegt. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
I. Staat artikel 1, lid 3, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 412/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op keuken- en tafelgerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 131, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening nr. 412/2013”) toe dat bij de eerste vaststelling van een definitief antidumpingrecht achteraf een geldige handelsfactuur wordt ingediend, wanneer aan alle andere vereiste voorwaarden voor het verkrijgen van een individueel antidumpingrecht is voldaan?
II. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Staat artikel 78 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17) (hierna: „douanewetboek”) eraan in de weg dat de douaneautoriteit in het kader van een herzieningsprocedure de terugbetaling van een antidumpingrecht afwijst met als motivering dat de aangever pas na de douaneaangifte een correcte handelsfactuur heeft overgelegd?
Specifiek beleidsterrein: BZ-BEB en FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-158/16 Vega González

By | ambtenaren, arbeidsvoorwaarden, gelijke behandeling | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: ambtenaren; arbeidsvoorwaarden; gelijke behandeling

Deadline: submit your brief by 25 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Verzoekster werkt vanaf 15-04-2011 vier jaar als ambtenaar in tijdelijke dienst bij de administratie van het Prinsdom Asturië (verweerster). Zij wordt in mei 2015 als afgevaardigde gekozen in het regionale parlement en vraagt daartoe haar werkgever om verlof wegens bijzondere diensten, subsidiair verlof om redenen van persoonlijke aard toe te kennen. De verwerende administratie wijst het verzoek af omdat de ambtelijke standen in kwestie uitsluitend van toepassing zijn op ambtenaren in vaste dienst. Verzoekster maakt bezwaar dat wordt afgewezen (22-10-2015) waarna zij in beroep gaat. Zij meent dat een vraag aan het HvJEU noodzakelijk is maar verweerster is het daar niet mee eens omdat RL 1999/70 niet van toepassing zou zijn. Ambtelijke standen zijn geen arbeidsvoorwaarden maar instrumenten die de loopbaan regelen voor de verschillende categorieën ambtenaren. Deze ambtelijke standen kunnen niet aan functionarissen in tijdelijke dienst worden toegekend omdat deze standen toegespitst zijn op de situatie van ambtenaren in vaste dienst.

De verwijzende SPA rechter (Administratieve rechter Oviedo) leest in clausule 4 van de raamovereenkomst (‘non-discriminatiebeginsel’) dat een werknemer die niet in vaste dienst is niet minder gunstig behandeld mag worden dan de werknemers die wel een vast dienstverband hebben, en wijst op jurisprudentie van het HvJEU waarin dit is bevestigd. Hij ziet geen objectieve rechtvaardiging voor het in deze zaak aan de orde zijnde verschil in behandeling, met name gezien de duur van verzoeksters tewerkstelling. Het draait om het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ onder het kopje ‘discriminatieverbod’(clausule 4 van de RL). De verwijzende rechter wil nadere uitleg in verband met ambtenaren in tijdelijke dienst die om opschorting van hun dienstbetrekking vragen, in het bijzonder wanneer zij in een vertegenwoordigende politieke functie gekozen worden. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
– Moet het begrip “arbeidsvoorwaarden” in clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aldus worden uitgelegd dat het eveneens betrekking heeft op de juridische situatie dat werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die zijn gekozen in een vertegenwoordigende politieke functie, zoals werknemers in vaste dienst, hun werkgever om opschorting van de dienstbetrekking kunnen verzoeken en deze kunnen verkrijgen, met de mogelijkheid om na afloop van het betrokken politieke mandaat terug te keren naar hun oude functie?
– Moet het discriminatieverbod dat is vervat in clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aldus worden uitgelegd dat dit verbod zich verzet tegen een nationale regeling zoals artikel 59, lid 2, van Ley 3/1985 de ordenación de la función pública Asturiana [wet 3/1985 van het Principado de Asturias van 26 december 1985 inzake de organisatie van het ambtenarenapparaat van de overheid van het Principado de Asturias], waarin het recht op toekenning van de ambtelijke stand van verlof wegens bijzondere diensten volkomen wordt ontzegd aan ambtenaren in tijdelijke dienst die worden gekozen als lid van het regionale parlement, terwijl dit recht wel wordt toegekend aan ambtenaren in vaste dienst?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-444/09 Gavieiro Gavieiro; C-456/09 Torres; C-556/11 Martínez;
Specifiek beleidsterrein: BZK en SZW

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-598/15 Banco Santander

By | buitengerechtelijke procedure, consumentenbescherming | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: consumentenbescherming; buitengerechtelijke procedure

Deadline: submit your brief by 25 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Deze zaak is begin dit jaar betekend met mededeling van schorsing in afwachting van arrest in zaak C-49/14 Finanmadrid E.F.C.. Na uitspraak in die zaak op 18-02-2016 heeft de verwijzende rechter het HvJEU op diens navraag geantwoord dat hij zijn vragen in C-598/15 wenste te handhaven, met name omdat het HvJEU in C-49/14 niet ingaat op de situatie van buitengerechtelijke procedure zoals in onderhavige zaak het geval is.
Verweerster heeft met Banco Santander een hypothecaire lening afgesloten waarin een beding is opgenomen over een ‘buitengerechtelijke procedure’ in geval van executie. In 2011 is zo’n procedure (voor de notaris) ingeleid, wordt verweerster gelast tot betaling, haar woning wordt aan de bank toegewezen en zij blijft uiteindelijk met een restschuld achter. Verzoekster start in 2014 de invorderingsprocedure en omdat verweerster verstek laat gaan moet verzoeksters vordering (wettelijk) worden toegewezen. De rechter besluit echter vragen aan het HvJEU voor te leggen alvorens te beslissen, omdat zowel de buitengerechtelijke executieregeling als de daarna volgende procedure rond levering en huisuitzetting de in RL 93/13 geregelde bescherming ontberen.

De verwijzende SPA rechter (Rb Jerez de la Frontera) zet (in zijn aanvulling op de verwijzings-beschikking) uiteen dat het in deze zaak gaat om de vereenvoudigde, buitengerechtelijke procedure die in 1992 is ingevoerd ter verlichting van de werklast van het justitieel apparaat. In deze procedure heeft een consument geen enkele mogelijkheid zich op een oneerlijk beding in de hypotheekakte te beroepen en is het de rechter niet mogelijk ambtshalve te toetsen of het beding (on)eerlijk is. De Wet BRv is leidend. De procedure staat in de weg aan een effectieve bescherming van de rechten die RL 93/13 aan consumenten biedt. De rechter wijst op de vaste jurisprudentie van het HvJEU dat het nationale recht buiten toepassing kan worden gelaten als dat in de weg staat aan ambtshalve rechterlijke toetsing. De vragen die hij aan het HvJEU voorlegt luiden als volgt:
1) Is een nationale regeling die voorziet in een procedure als die van artikel 250, lid 1, onder 7, van de Ley de Enjuiciamiento Civil (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), waarin de nationale rechter gehouden is te gelasten dat de uitgewonnen woning wordt geleverd aan degene waaraan deze is toegewezen in een buitengerechtelijke executieprocedure in het kader waarvan volgens de geldende regeling van artikel 129 van de Ley Hipotecaria (hypotheekwet), zoals gewijzigd bij Ley 1/2000 de 8 de enero (wet 1/2000 van 8 januari), en de artikelen 234 tot en met 236-O van de hypotheekverordening, zoals gewijzigd bij Real Decreto 290/1992 (koninklijk besluit 290/1992), niet was voorzien in de mogelijkheid tot ambtshalve rechterlijke toetsing van oneerlijke bedingen of tot daadwerkelijke betwisting door de schuldenaar op die grond, hetzij in het kader van de buitengerechtelijke executie hetzij in een afzonderlijke gerechtelijke procedure, in strijd met de genoemde bepalingen van de richtlijn en de doelstellingen van de richtlijn?
2) Is een regeling zoals de vijfde overgangsbepaling van Ley 1/2013 (wet 1/2013), krachtens welke een na de inwerkingtreding van Ley 1/2013 ingeleide buitengerechtelijke hypothecaire executieprocedure slechts door de notaris kan worden geschorst wanneer de consument aantoont dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld betreffende het oneerlijke karakter van een beding in de hypothecaire leningsovereenkomst, dat de grondslag vormt van de buitengerechtelijke verkoop of op basis waarvan het bij de executie verschuldigde bedrag is vastgesteld, en voor zover de consument die afzonderlijke vordering heeft ingesteld binnen de termijn van een maand na de bekendmaking van wet 1/2013, zonder dat die termijn hem persoonlijk is meegedeeld, en in elk geval voordat de toewijzing van de zaak door de notaris heeft plaatsgevonden, in strijd met de genoemde bepalingen van de richtlijn en de doelstellingen van de richtlijn?
3) Moeten de genoemde bepalingen van de richtlijn, het door de richtlijn beoogde doel en de door haar aan de nationale rechters opgelegde verplichting tot ambtshalve onderzoek van de oneerlijkheid van bedingen in overeenkomsten met consumenten, zonder dat de consument daarom dient te verzoeken, aldus worden uitgelegd dat zij de nationale rechter in procedures als die geregeld in artikel 250, lid 1, onder 7, van de Ley de Enjuiciamiento Civil of de procedure van “buitengerechtelijke verkoop” geregeld in artikel 129 van de Ley Hipotecaria, de mogelijkheid bieden het nationale recht buiten toepassing te laten wanneer dat een dergelijke ambtshalve
rechterlijke toetsing niet toestaat, in aanmerking genomen de duidelijkheid van de richtlijnbepalingen en het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij herhaling heeft geoordeeld dat de nationale rechters gehouden zijn in geschillen over consumentenovereenkomsten te toetsen of er sprake is van oneerlijke bedingen?
4) Is een nationale regeling zoals die van artikel 129 van de Ley Hipotecaria, zoals gewijzigd bij Ley 1/2013, die als enige doeltreffende maatregel ter bescherming van de in de richtlijn vastgelegde consumentenrechten, met betrekking tot de buitengerechtelijke hypothecaire executieprocedures tegen consumenten slechts voorziet in een eenvoudige bevoegdheid tot attendering op het bestaan van oneerlijke bedingen door de notaris, of in de mogelijkheid voor de schuldenaar tegen wie buitengerechtelijk ten uitvoer wordt gelegd om een vordering in te stellen in een afzonderlijke gerechtelijke procedure voordat de notaris de uitgewonnen onroerende zaak heeft toegewezen, in strijd met de genoemde bepalingen van de richtlijn en de doelstellingen van de richtlijn?
5) Is een nationale regeling zoals die van artikel 129 van de Ley Hipotecaria, zoals gewijzigd bij Ley 1/2013, en [de] artikelen 234 tot en met 236 van de hypotheekverordening, zoals gewijzigd bij Real Decreto 290/1992, die voorziet in een procedure tot buitengerechtelijke executie van hypothecaire leningen tussen handelaren en consumenten waarin geen mogelijkheid bestaat tot ambtshalve rechterlijke toetsing van oneerlijke bedingen, in strijd met de genoemde bepalingen van de richtlijn en de doelstellingen van de richtlijn?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-168/05 Mostaza Claro
Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-143/16 Abercrombie & Fitch Italia

By | leeftijdsdiscriminatie, oproeparbeid | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: oproeparbeid; (leeftijds)discriminatie

Deadline: submit your brief by 25 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Handvest grondrechten artikel 21 (non-discriminatie);
– Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (Pb L 303, blz. 16)

Verweerder werkt bij verzoekster, een vennootschap. Hij heeft eerst een oproep-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (vanaf 14-12-2010) die op 01-01-2012 is omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Hij is (op grond van een ITA regeling) op 26-07-2012 ontslagen wegens het bereiken van de leeftijd van 25 jaar en vecht zijn ontslag aan voor de Rb Milaan. Daar wordt zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij het Hof van Beroep van Milaan wordt de beschikking herzien, wordt zijn vordering (op grond van strijd van de SPA regeling met RL 2000/78) toegewezen, wordt verzoekster veroordeeld de werknemer weer in dienst te nemen en diens schade te vergoeden. Het Hof Milaan oordeelde dat de oproeparbeidsovereenkomst, uitsluitend wegens leeftijd gesloten, onrechtmatig was. Verzoekster stelt cassatieberoep in. Zij is van mening dat geen sprake is van discriminatie omdat het hier gaat om een wet die werknemers begunstigt op grond van hun leeftijd en niet omgekeerd en omdat het wetsbesluit nagenoeg dezelfde inhoud heeft als RL 2000/78/EG. Zij dringt dan ook aan op het stellen van een vraag aan het HvJEU.

De verwijzende ITA rechter (Hof van Cassatie) stelt vast dat het Handvest grondrechten iedere discriminatie verbiedt, met name op grond van leeftijd, zoals ook in C-555/07 is geoordeeld. De tekst van het ITA wetsbesluit bevat geen rechtvaardigingsgrond voor de leeftijdsgrens. Hij acht het nuttig om een prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd, zoals dat concreet tot uitdrukking is gebracht in RL 2000/78 en in het Handvest grondrechten (artikel 21, lid 1).De vraag die hij voorlegt aan het HvJEU luidt:
“Is een nationale regeling als die welke is neergelegd in artikel 34 van wetsbesluit nr. 276 van 2003, volgens welke de oproeparbeidsovereenkomst in elk geval kan worden gesloten voor het verrichten van prestaties door personen van minder dan vijfentwintig jaar, in strijd met het verbod van discriminatie op grond leeftijd als bedoeld in richtlijn 2000/78 en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 21, lid 1)?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-555/07 Kücükdeveci
Specifiek beleidsterrein: SZW, BZK, VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.