C-151/16 Vakarų Baltijos laivų statykla

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: brandstofaccijns; recht op teruggave

Deadline: submit your brief by 26 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2004/75/EG van de Raad van 29 april 2004;
– Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG;

Verzoekster is scheepsbouwer, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In oktober 2009 heeft zij een contract gesloten met de EST onderneming Eva Maritime voor het bouwen van een vrachtschip. Tijdens de bouw koopt verzoekster 80600 liter dieselbrandstof die door de leverancier rechtstreeks in de tanks van het schip worden gepompt. Verzoekster ontvangt daarvoor een factuur met btw en de leverancier berekent hoeveel accijns verschuldigd is. Een deel van de brandstof wordt gebruikt tijdens testvaarten. Op 06-06-2013 wordt de eigendom overgedragen, inclusief 73030 liter overgebleven brandstof. De kosten voor de brandstof zijn in de totaalprijs van het schip inbegrepen. In de overeenkomst is bepaald dat de brandstof tegen kostprijs is overgenomen waarmee verzoekster in feite brandstofleverancier voor de klant was. Het schip vertrekt zonder commerciële vracht naar Stralsund/DUI, van waaruit het zijn eerste handelsvaart naar SPA maakt. Verzoekster dient op 22-07-2013 een (gewijzigd) verzoek om terugbetaling van de accijns in maar verweerster (belastingdienst) weigert dat bij besluit van 21-08-2013 omdat verzoekster niet aan de in de LIT accijnswet gestelde voorwaarden heeft voldaan (opstellen registratieformulier bij levering en verzoekster heeft geen vergunning voor levering brandstof aan schepen). De Commissie belastinggeschillen verklaart het besluit nietig omdat de niet-naleving van de wettelijke eisen louter formeel van aard is en verzoekster niet het recht op terugbetaling kan ontnemen. Verweerster gaat met succes in beroep waarbij de rechter het niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden herhaalt. Verzoekster gaat dan in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende LIT rechter (Hoogste bestuursrechter) stelt uit de stukken vast dat de brandstof is gebruikt om met het schip tussen zeehavens van EULS te varen, dus in EU-wateren. In de LIT accijnswet is naast algemene gevallen van vrijstelling bepaald dat accijnsvrijstelling tevens geldt voor scheepsbrandstof die wordt geleverd voor de vaart op (EU-)wateren. Hij verwijst naar rechtspraak van het HvJEU waaruit blijkt dat de EULS een beoordelingsmarge wordt gelaten voor het stellen van voorwaarden voor vrijstelling (ter voorkoming van fraude/misbruik). Daarnaast heeft het HvJEU benadrukt dat het doel waarmee een schip een traject aflegt op de EU-wateren niet relevant is voor toepassing van de vrijstelling. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Moet artikel 14, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2004/75/EG van de Raad van 29 april 2004, aldus worden uitgelegd dat over de levering van energieproducten geen accijns mag worden geheven in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarin deze producten zijn geleverd om te worden gebruikt als brandstof voor de vaart in [EU-]wateren, meer bepaald met het doel een schip op eigen kracht te laten varen van de plaats waar het gebouwd is naar een haven in een andere lidstaat (een vaart waarvoor geen tegenprestatie wordt ontvangen), opdat het daar zijn eerste commerciële vracht zou kunnen inladen?
2. Staat artikel 14, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/96 in de weg aan een nationale wettelijke regeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de in die bepaling bedoelde belastingvrijstelling niet kan worden toegekend in gevallen waarin bij de levering van energieproducten niet is voldaan aan de door de lidstaat gestelde voorwaarden, ook al is wel voldaan aan de wezenlijke voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling die zijn neergelegd in die bepaling van richtlijn 2003/96?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-391/05 Jan de Nul; C-226/07 Flughafen Köln/Bonn; C-505/10 Sea Fighter;
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.