C-196/16 en C-197/16 Comune di Corridonia ea

Regarding: Gevoegde prejudiciële hofzaken

Keywords: milieu-effectbeoordeling (MER)

Deadline: submit your brief by 27 juni 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– VWEU artikel 191 (doelstellingen milieubeleid)
– Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

De zaken betreffen de bouw en plaatsing van een biogasinstallatie (vermogen 999 kWe, anaerobe vergisting van biomassa) in de gemeente Corridonia (verzoekster in C-196/16), aangevraagd door de regionale energieleverancier (SARM). Zaak C-197/16 is identiek qua procedure/vraag, alleen een andere verzoeker (Bartolini e.a.).
SARM vraagt de wettelijk noodzakelijke MER aan bij de bevoegde provincie Macerata. Die beëindigt de procedure op 26-01-2012 omdat inmiddels een wet (op 09-11-2011) in werking is getreden waarin voor projecten met een thermisch vermogen van minder dan 3 MWt geen MER behoeft te worden uitgevoerd (was voorheen 50 MWt). De bouwvergunning wordt 05-06-2012 verleend. Verzoekster komt op tegen dat besluit. De verwijzende rechter wijst het beroep toe omdat de ITA regeling in strijd is met RL 2011/92, later bevestigd door de ITA RvS. De vergunning is vernietigd en er volgt een nieuwe procedure: op 15-11-2013 wordt vastgesteld dat een MER moet worden uitgevoerd. (De installatie is dan al in werking maar wordt stilgelegd). Op 07-07-2014 heeft de directeur van de afdeling Milieu van de provincie de MER vastgesteld waarin werd geconcludeerd dat het project aan alle milieuvoorschriften voldoet. Verzoekster gaat opnieuw in beroep wegens schending/omzeiling/onjuiste toepassing van VWEU artikel 191 aangezien voor de reeds verwezenlijkte installatie niet zou kunnen worden nagegaan of een MER uitgevoerd moet worden.

De verwijzende ITA rechter (regionale Rb Marche) stelt vast dat het ITA recht niet voorziet in enige regeling ter zake van beoordeling a posteriori van milieueffecten van reeds verwezenlijkte installaties. Er is voorzien in een schadevergoedingsregeling, opschorting van werkzaamheden of een bevel tot herstel in de vroegere toestand (afbraak). In nationale rechtspraak is geoordeeld dat een MER uitgevoerd na verwezenlijking verenigbaar is met EUrecht. De vraag is dus of het mogelijk is de gevolgen voor het milieu te beoordelen van installaties die reeds zijn verwezenlijkt in het geval van nietigverklaring van de vergunning omdat niet is nagegaan of een MER moest worden uitgevoerd en of hier sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een MER-procedure a posteriori mogelijk maken. Om de zaak te kunnen beslechten ziet hij zich genoodzaakt het HvJEU de volgende vraag voor te leggen:
“Is, gelet op artikel 191 VWEU en artikel 2 van richtlijn 2011/92/EU, de uitvoering van een procedure om na te gaan of een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd (en eventueel de uitvoering van een dergelijke milieueffectbeoordeling) na de verwezenlijking van een installatie, verenigbaar met het gemeenschapsrecht wanneer de vergunning door de nationale rechter nietig is verklaard omdat niet was nagegaan of een milieueffectbeoordeling moest worden uitgevoerd om reden dat met het gemeenschapsrecht strijdige nationale voorschriften bepaalden dat dit niet moest worden nagegaan?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-201/02 Wells; C-215/06 idem; C-41/11 Inter Environnement Wallonie; C-420/11 Leth
Specifiek beleidsterrein: IenM

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.