C-215/16, C-216/16, C-220/16 en C-221/16 Elecdey Carcelen ea

Regarding: Gevoegde prejudiciële hofzaken

Keywords: energie uit hernieuwbare bronnen; steunregelingen; accijnsheffing

Deadline: submit your brief by 10 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit;
– Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG;
– Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG

De casus en vragen van de vier gevoegde zaken zijn identiek.
verzoekster heeft DG Industrie, Energie en Mijnen verzocht om rectificatie van in 2011 gedane aangiften voor windenergieheffing en terugbetaling van de betaalde bedragen. Het verzoek wordt 21-01-2013 afgewezen waarop verzoekster een procedure begint. Zij stelt dat de belasting in strijd is met RL 2009/28 wegens de ontmoedigende effecten ervan en de in de RL nagestreefde doelstelling van bevordering van hernieuwbare energie. De betwiste windenergieheffing zou slechts bedoeld zijn om inkomsten te genereren. Er worden al diverse belastingen geheven op de exploitatie van hernieuwbare energie en de litigieuze windenergieheffing heeft geen specifiek doel (onder verwijzing naar arrest in C-82/12). Verweerster (Comisión Superior de Hacienda de la Comunidad Autónoma de Castilla la Mancha) geeft echter aan dat de opbrengst naar een fonds gaat dat speciaal is opgericht ter verwezenlijking van milieudoelstellingen en dat het in overeenstemming is met rechtspraak van het Grondwettelijk hof dat naast belastingen die alleen bedoeld zijn om inkomsten te genereren, een niet-fiscale last bestaat die strekt tot bescherming van het milieu door de energie-efficiëntie van windgeneratoren te stimuleren, het aantal windgeneratoren te beperken en de schadelijke gevolgen ervan voor het milieu tot een minimum te beperken.

De verwijzende SPA rechter (Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha) wijst op de intrinsieke tegenstelling tussen enerzijds de SPA heffing en anderzijds de stimulans in de vorm van steunregelingen (belastingvrijstelling, -verlaging of –terugbetaling) die aan energie uit hernieuwbare bron in de richtlijnen wordt gegeven. Mede in het licht van de conclusies van de slotverklaring van de ‘klimaatconferentie van Parijs’ (december 2015) zet hij vraagtekens bij de hier gestelde samenloop van algemene en bijzondere belastingen. Indien de litigieuze heffing aanvaardbaar wordt geacht moet worden gekeken naar de vereisten die het HvJEU daarvoor in C-82/12 heeft gesteld (ontmoediging bepaald gedrag en stimulering van bescherming van het milieu, aanwending van de opbrengst tot vergoeding van mogelijke milieuschade) en hij uit twijfel of dat in casu het geval is. De maatstaf van heffing en het heffingsbedrag wordt vastgesteld enkel op basis van het aantal windgeneratoren, en het bedrag stijgt naarmate het aantal molens toeneemt, zonder dat de capaciteit wordt meegenomen. De wettelijke bepaling over hoofdelijke aansprakelijkheid lijkt alleen te zijn toegespitst op de financiële draagkracht, zonder rekening te houden met de milieugevolgen. In de SPA wet worden ook sociaaleconomische doelstellingen genoemd.
De verwijzende rechter wijst op arrest C-98/14 waarin het HvJEU ingaat op de ontmoedigende werking van belastingdruk. In telecomzaken heeft het HvJEU geoordeeld dat het begrip ‘heffing’ uniform als autonoom EU-rechtelijk begrip dat op alle soorten belastingdruk ziet, moet worden uitgelegd. Hij vraagt zich af of het de bedoeling van artikel 13, lid 1, onder e), van RL 2009/28 is de rechtssubjecten een bepaalde concrete bescherming te verlenen tegen belastingen die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie in Europa, door alleen belastingen toe te staan [die verband houden met] een toezichtsactiviteit door de overheid en waarvan het bedrag evenredig is aan de kosten die nauw verband houden met die activiteit. Om te kunnen beoordelen of de SPA regelgeving verenigbaar is met EU-recht legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Moeten – aangezien de in artikel 2, onder k), van richtlijn 2009/28/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG] gedefinieerde “steunregelingen”, waaronder fiscale stimulansen in de vorm van belastingverlaging, vrijstellingen en terugbetaling van belasting, zijn opgevat als instrumenten ter verwezenlijking van de in richtlijn 2009/28 vastgestelde doelstellingen inzake het verbruik van hernieuwbare energie – de voornoemde stimulansen of maatregelen worden geacht dwingend en bindend te zijn voor de lidstaten en rechtstreekse werking te hebben, zodat zij door de betrokken particulieren bij allerlei overheidsinstanties, rechterlijke instanties en administratieve instanties kunnen worden aangevoerd?
2) Moeten – aangezien de in de vorige vraag genoemde “steunregelingen” bestaan uit “maar niet beperkt blijven tot” fiscale stimuleringsmaatregelen in de vorm van belastingverlaging, vrijstellingen en terugbetaling van belasting – die stimulansen worden geacht specifiek de niet-heffing van belasting, dus het verbod op alle soorten specifieke en bijzondere heffingen op energie uit hernieuwbare bronnen naast de algemene belastingen op de economische activiteiten en de productie van elektriciteit, te omvatten? In dit verband rijst ook de volgende vraag: omvat het voornoemde algemene verbod ook het verbod op samenloop, dubbele heffing of overlapping van diverse algemene of bijzondere belastingen die op verschillende fasen van de opwekking van hernieuwbare energie drukken en waarvoor het belastbare feit hetzelfde is als dat voor de aan de orde zijnde windenergieheffing?
3) Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord en wordt aanvaard dat belasting kan worden geheven op energie uit hernieuwbare bronnen, moet het begrip “specifiek doeleinde” voor de toepassing van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG [van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG] dan aldus worden uitgelegd dat het om één doel moet gaan en dat de belasting die wordt geheven op hernieuwbare energie wat haar structuur betreft bovendien daadwerkelijk van niet-fiscale aard moet zijn en niet louter een budgettair doeleinde mag hebben of louter tot doel mag hebben inkomsten te genereren?
4) Moet artikel 4 van richtlijn 2003/96/EG [van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit] – dat als referentiewaarde voor de belastingniveaus die de lidstaten moeten toepassen op energieproducten en elektriciteit, de in de richtlijn vermelde minima neemt, waaronder de som wordt verstaan van alle directe en indirecte belastingen die op die producten worden geheven op het tijdstip van uitslag tot verbruik – aldus worden uitgelegd dat die som ertoe moet leiden dat van het door de richtlijn vereiste belastingniveau worden uitgesloten nationale belastingen die niet daadwerkelijk van niet-fiscale aard zijn zowel wat hun structuur betreft als gelet op hun specifieke doeleinde, zoals uitgelegd in het antwoord op de vorige vraag?
5) Vormt het begrip heffing in artikel 13, lid 1, onder e), van richtlijn 2009/28 een autonoom Unierechtelijk begrip dat ruimer moet worden uitgelegd, in die zin dat het het begrip belasting in het algemeen omvat en daar ook een synoniem van is?
6) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen de door de consumenten te betalen heffingen als bedoeld in het voornoemde artikel 13, lid 1, onder e), dan alleen de belastingen of fiscale heffingen omvatten die, indien nodig, dienen tot compensatie van de door de milieueffecten [van energie uit hernieuwbare bronnen] veroorzaakte schade en tot vergoeding – met het geheven bedrag – van de met die negatieve effecten verbonden schade, maar niet de belastingen of heffingen die op schone energie drukken en hoofdzakelijk een budgettair doeleinde hebben of tot doel hebben inkomsten te genereren?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Gevoegde zaken C-55/11, C-57/11 en C-58/11 Vodafone España e.a. C-82/12 Transportes Jordi Besora; C-98/14 Berlington Hungary
Specifiek beleidsterrein: IenM, EZ, FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.