C-262/16 Shields & Sons Partnership

By May 4, 2020btw, landbouw

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; landbouw

Deadline: submit your brief by 14 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Verzoekster is een agrarische familieonderneming in Noord-Ierland, actief in de veehouderij. Zij koopt vee van een geaffilieerde onderneming, en na vetmesten worden de dieren aan een slachthuis (ABP) verkocht. Op aanraden van ABP heeft verzoekster in mei 2004 een aanvraag ingediend voor deelname aan de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten (op grond van artikel 296 lid 2 van de btw-richtlijn). De aanvraag wordt toegewezen waardoor verzoekster gerechtigd werd om ABP te factureren voor de prijs van het verkochte vee en daarbovenop betaling te ontvangen van een forfaitair bedrag van 4% van alle verkopen. ABP kon die aanvullende 4% behandelen als voorbelasting en van de belastingdienst (verweerster) dienovereenkomstig teruggave verlangen. In het eerste jaar is er financieel nog geen groot verschil voor verzoekster, maar na dat jaar komt zij tot de conclusie dat het voor haar winstgevender is om alleen met ABP zaken te doen, waarna haar omzet stijgt, mede door de gestegen rundvleesprijzen (zie de tabel in de verwijzingsbeschikking). Na constatering van de verschillen trekt verweerster bij brief van 15-10-2012 het aan verzoekster verleende certificaat voor toepassing van de regeling in. Verzoekster vraagt heroverweging van dat besluit maar dat wordt 21-12-2012 geweigerd. Verzoekster gaat in beroep. In eerste aanleg wordt verzoeksters beroep 08-10-2014 verworpen. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende VK rechter (United Kingdom Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) constateert twee geschilpunten. Allereerst of artikel 296 lid 2 van de btw-RL uitputtend regelt wanneer een landbouwproducent van de regeling kan worden uitgesloten (zoals verzoekster stelt) en zo ja of het besluit van verweerster gerechtvaardigd kan worden op de grond dat verzoekster behoort tot een categorie landbouwproducten in de zin van het artikel. Verweerster stelt met name dat aan het streven naar belastingneutraliteit afbreuk zou worden gedaan indien individuele landbouwproducenten teveel profijt van de regeling zouden hebben.
De toepasselijkheid van artikel 296, lid 2, in deze procedure hangt af van de betekenis van de uitdrukking ‘categorieën landbouwproducenten’. Verzoekster stelt dat verweerster geen categorie (volgens haar een groep of klasse), maar een individuele onderneming heeft uitgesloten. Zij zou daartoe over een discretionaire bevoegdheid moeten beschikken. Verweerster wijst op het antwoord op de vraag (in een btw-mededeling) wanneer een begunstigde geen gebruik meer van de regeling mag maken (antwoord: ‘als blijkt dat u als forfaitair belaste landbouwproducent wezenlijk meer terugkrijgt dan het geval zou zijn indien u op de gebruikelijke wijze voor de btw zou zijn geregistreerd’). Die mededeling heeft weliswaar geen rechtskracht maar geeft weer wat verweerster onder de uit te sluiten categorie verstaat. Verweerster wijst ook nog op haar bevoegdheid uit de btw-Vo om maatregelen te treffen ter bescherming van belastinginkomsten. De verwijzende rechter legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1. Moet artikel 296, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad, dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten zoals vervat in hoofdstuk 2 van titel XII van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarin een uitputtende regeling is neergelegd voor de gevallen waarin een lidstaat een landbouwproducent mag uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten? In het bijzonder wordt het volgende gevraagd:
1.1 Mag een lidstaat landbouwproducenten enkel op grond van artikel 296, lid 2, uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.2 Mag een lidstaat een landbouwproducent ook op grond van artikel 299 uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.3 Heeft een lidstaat op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit de bevoegdheid om een landbouwproducent uit te sluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.4 Zijn lidstaten bevoegd om landbouwproducenten op andere gronden uit te sluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
2. Hoe dient het begrip „categorieën landbouwproducenten” in artikel 296, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG te worden uitgelegd? In het bijzonder wordt gevraagd:
2.1 Moet een concrete categorie landbouwproducenten aan de hand van objectieve kenmerken kunnen worden vastgesteld?
2.2 Kan een concrete categorie landbouwproducenten ook worden vastgesteld aan de hand van economische overwegingen?
2.3 Welke mate van nauwkeurigheid is vereist voor de vaststelling van een categorie landbouwproducenten die een lidstaat heeft willen uitsluiten?
2.4 Is een lidstaat bevoegd om als relevante categorie aan te merken „landbouwproducenten van wie blijkt dat zij als deelnemers aan de forfaitaire regeling wezenlijk meer terugkrijgen dan het geval zou zijn indien zij voor de btw zouden zijn geregistreerd?
Specifiek beleidsterrein: FIN en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.