Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: belastingen; fusies; recht vrije vestiging; ‘exitheffing’

Deadline: submit your brief by 12 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – VWEU artikel 49 (recht vrije vestiging);

-richtlijn 90/434/EEG van de Raad betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten.

 

Verzoekster heeft in 2006 de exploitatie van haar productiefaciliteit, inclusief de activa, passiva en reserves, van een OOS vaste inrichting overgedragen aan een OOS vennootschap (B) via inbreng van een bedrijf en ontving daarvoor nieuwe aandelen. De activiteiten van de overgedragen vennootschap bestaan uit het verrichten van administratieve diensten binnen het concern en een deelneming van 30,3% in B. A ontvangt van OOS investeringssteun. Bij de belastingheffing wordt deze steun op grond van de FIN wet niet tot de aftrekbare aanschafkosten gerekend en de waarschijnlijk realiseerbare opbrengst bij vervreemding wordt (al) over 2006 in rekening gebracht, hetgeen niet het geval zou zijn geweest in een overeenkomstige binnenlandse situatie.

Verzoekster heeft bezwaar aangetekend tegen de haar op 30-11-2010 door de FIN belastingdienst (verweerster) opgelegde rectificatiebeschikking, dat wordt afgewezen. Zij gaat in beroep bij de verwijzende rechter. Zij stelt dat de FIN regeling (de wet tot omzetting van RL 90/434) in strijd is met het recht van vrije vestiging. Binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen worden verschillend behandeld. De heffing van belasting over niet-gerealiseerde waardeverandering leidt tot een zwaardere fiscale last dan bij overeenkomstige binnenlandse bedrijfsoverdracht waar het tijdstip van heffing wordt verschoven naar het moment waarop daadwerkelijk een vervreemding plaatsvindt. Zij wijst op recente jurisprudentie van het HvJEU (C-371/10): onmiddellijke invordering van de belasting is niet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Verweerster bestrijdt dat de FIN regeling niet verenigbaar is met EUrecht; de EURCIE heeft geen inbreukprocedure over de FIN regeling ingesteld. Toepassing van deze bepaling betekent dat de waarschijnlijk realiseerbare opbrengst bij vervreemding van de vermogensbestanddelen bij de belastbare inkomsten van een vennootschap dient te worden meegerekend. (Partijen blijken het overigens niet eens over de betekenis van ‘overgedragen vermogensbestanddelen’).

 

De verwijzende FIN rechter (Bestuursrechter Helsinki) oordeelt dat artikel 10.2 van RL 90/434 (waarop de FIN regeling is gebaseerd) de mogelijkheid biedt winsten uit vervreemding te belasten, maar zegt niets over het tijdstip van heffing. Verzoekster beroept zich met name op de vrijheid van vestiging en het verschil in behandeling van binnenlandse transacties. Mocht de FIN bepaling in strijd zijn met het recht van vrije vestiging dan vraagt de verwijzende rechter zich af of de beperking gerechtvaardigd kan worden (dwingende reden van algemeen belang – evenwichtige verdeling bevoegdheid tot belastingheffing tussen de EULS). In een zuiver binnenlandse situatie behoudt FIN zijn heffingsbevoegdheid en daarmee het recht om de gerealiseerde winst op het tijdstip van vervreemding van de activa te belasten. In een grensoverschrijdende situatie behoudt FIN daarentegen volgens de huidige FIN belastingwetgeving zijn heffingsbevoegdheid niet tot het moment waarop de winsten worden gerealiseerd, als die winsten niet reeds op het moment van overdracht van de activa naar een andere EULS worden belast. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Staat artikel 49 VWEU in de weg aan een Finse regeling volgens welke, in een geval waarin een binnenlandse vennootschap activa van een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting door middel van inbreng van een bedrijf aan een in die staat gevestigde vennootschap vervreemdt en daarvoor als tegenprestatie nieuwe aandelen verkrijgt, de overdracht van de activa direct in het jaar van overdracht wordt belast, terwijl in een overeenkomstige binnenlandse situatie de heffing pas plaatsvindt op het tijdstip van realisatie?

2. Is er sprake van directe of indirecte discriminatie wanneer Finland onmiddellijk in het jaar van overdracht van het bedrijf belasting heft, voordat de winst is gerealiseerd, terwijl dat bij binnenlandse transacties pas geschiedt op het moment dat de winst wordt gerealiseerd?

3. Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord, kan deze beperking van de vrijheid van vestiging dan worden gerechtvaardigd met een beroep op bijvoorbeeld een dringende reden van algemeen belang of de bescherming van de nationale fiscale bevoegdheid? Is de verboden beperking in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-38/10 CIE/POR; C-371/10 National Grid; C-261/11 CIE/DEN; C-48/13 Nordea Bank Danmark;

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.