C-306/16 Maio Marques da Rosa

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: arbeidstijd; wekelijkse rustdagen

Deadline: submit your brief by 12 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Handvest grondrechten artikel 31 (billijke arbeidsomstandigheden);

– richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.

Verzoeker werkt als vaste kassier in het casino van verweerster. Het casino is iedere dag vanaf 15 of 16 uur open, tot 3 of 4 uur in de ochtend. Verzoeker werkt in afwisselende ploegendienst. Tussen 2004 en 2010 werkten de kassiers zeven opeenvolgende dagen en genoten zij op de achtste dag de verplichte wekelijkse rust. Concreet betekende dit dat in een periode van 13 weken vier rustperiodes zaten van drie of vier dagen (rond het weekeind). Vanaf 2010 wordt het schema gewijzigd en werken de kassiers (hoogstens) zes opeenvolgende dagen. Deze wijziging had gevolgen voor de rustperioden die de kassiers genoten. Vanaf 2010 krijgen zij één maal vier dagen van donderdag – zondag en een enkele andere periode van twee weekenddagen. Op 16-03-2010 wordt verzoeker ontslagen (collectief ontslag). Hij start een procedure waarin hij een verklaring voor recht vordert dat verweersters werktijdenregeling voor ploegenarbeid in de periode tussen 2004 en 2010 aldus was opgesteld dat verzoeker geen rusttijd na zes opeenvolgende werkdagen werd gewaarborgd, en hij eist een vergoeding voor overwerk. In eerste instantie wordt zijn vordering ongegrond verklaard. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende POR rechter (beroepsrechter Porto) stelt verzoeker dat het recht op wekelijkse rust dwingend recht is en van openbare orde. Het is geen “voorraad van wekelijkse rustdagen” die de werkgever naar eigen goeddunken kan beheren. Wekelijkse rust is in de POR regelgeving geregeld en staat geen uitzonderingen toe, alleen gunstigere regelingen. Een andere uitleg zou in strijd zijn met het EUrecht. Artikel 5 van RL 2003/88 is in POR letterlijk overgenomen. Werkzaamheden op de zevende dag (die een rustdag behoort te zijn) moet worden gelijkgesteld met overwerk. Verweerster bestrijdt dat sprake is van schending van arbeidswetgeving. Het recht op de bijkomende rustdag gold onmiddellijk na de verplichte wekelijkse rustdag, hoewel die betrekking kon hebben op de week die voorafging aan de week waarin het recht op die rustdag ontstond en die rustdag werd genomen. Een dergelijke indeling is voor haar bedrijf, gezien de wisselende ploegen, noodzakelijk om voor ieder een billijke wisselende rustperiode te organiseren en te waarborgen. De werktijdenregeling waar verzoeker zich op beroept geldt voor continudiensten en is dan ook op verzoeker niet van toepassing. In de cao is enkel het quantum van de rustdagen opgenomen; zij bestrijdt dan ook dat het verboden is dat gedurende meer dan zes opeenvolgende dagen gewerkt wordt.

Om de zaak te kunnen beslissen legt de rechter het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Moet, gelet op artikel 5 van richtlijn 93/104/EG [1] van de Raad van 23 november 1993 en van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003, alsmede gelet op artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het geval van werknemers die in ploegen en met wisselende rustperioden werken in een vestiging waar elke weekdag doch niet doorlopend gedurende 24 uur per dag wordt gewerkt, de verplichte rustdag waarop de werknemer recht heeft, noodzakelijk worden toegekend in elke periode van zeven dagen, zijnde ten minste op de zevende dag die volgt op zes opeenvolgende werkdagen?

2) Is de uitlegging volgens welke het de werkgever vrij staat om voor dergelijke werknemers te kiezen op welke dagen hij de werknemer voor elke week de rusttijd toekent waarop deze recht heeft, waarbij het mogelijk is dat de werknemer verplicht is, zonder vergoeding voor overwerk, tot tien opeenvolgende dagen te werken (bijvoorbeeld van de woensdag in een bepaalde week, voorafgegaan door een rustdag op maandag en dinsdag, tot en met de vrijdag van de daarop volgende week, gevolgd door een rustdag op zaterdag en zondag), in overeenstemming met deze richtlijnen en voorschriften?

3) Is de uitlegging volgens welke de ononderbroken periode van 24 uur rust kan vallen op om het even welke kalenderdag van een bepaalde periode van zeven kalenderdagen en de daaropvolgende ononderbroken periode van 24 uur rust (waarbij de 11 uur dagelijkse rust komen) eveneens kan vallen op om het even welke kalenderdag van de periode van zeven kalenderdagen die onmiddellijk aansluit op de vorige, in overeenstemming met deze richtlijnen en voorschriften?

4) Is de uitlegging volgens welke de werknemer, in plaats van een ononderbroken periode van 24 uur rust (waarbij de 11 uur dagelijkse rust komen) voor elke periode van zeven dagen, twee – al dan niet opeenvolgende – ononderbroken periodes van 24 uur rust kan genieten op om het even welke vier kalenderdagen van een bepaalde referentieperiode van 14 kalenderdagen, in overeenstemming met deze richtlijnen en voorschriften, ook rekening houdend met het bepaalde onder a) van artikel 16 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:—

[1] Noot van de vertaler: De verwijzende rechter refereert in zijn verwijzingsbeslissing en inzonderheid in de vragen aan RL 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 en aan artikel 5 ervan. Aangezien deze richtlijn is ingetrokken en vervangen door RL 2003/88/EG, wordt hier steeds verwezen naar laatstgenoemde richtlijn.

Specifiek beleidsterrein: SZW

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.