Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; nultarief bij verkoop aan reizigers

Deadline: submit your brief by 18 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb 2006, L 347, blz. 1).

 

Verzoeker handelt onder meer in telecommunicatieapparatuur ( naar ik aanneem op een luchthaven). Belastingdienst (verweerster) heeft in 2006 schriftelijk aan verzoeker bevestigd dat hij verkoper is in de zin van de POL btw-wet. Verzoeker registreert zijn omzet en houdt de bedragen aan verschuldigde belasting bij. De zaak gaat over de aangiften 2009 en 2010. Over die jaren heeft verzoeker geen gegevens overgelegd over een eventuele overeenkomst met een marktdeelnemer die gerechtigd is tot belastingteruggaaf. Hij (of een medewerkster) betaalde zelf de btw terug aan de reizigers of hanteerde het 0%-tarief. Verweerster stelt vast dat verzoeker niet gerechtigd was de btw meteen terug te betalen (of het 0%-tarief toe te passen).Verzoeker start een procedure waarin hij stelt dat de in de POL wet gestelde voorwaarde dat (onmiddellijke) teruggaaf van btw aan reizigers afhankelijk is gesteld van een minimumomzet in het voorafgaande belastingjaar (welke drempel hij niet heeft gehaald) een administratieve belemmering vormt en marktdeelnemers met een grotere activiteit bevoordeelt. De rechter in eerste aanleg verwerpt zijn beroep omdat verzoeker de genoemde wettelijke omzetdrempel niet heeft gehaald. Het gaat om een materiële voorwaarde en hij ziet dit niet als administratieve belemmering. Hij benadrukt dat de verplichting de bovengenoemde omzet te behalen niet absoluut is, maar enkel bewerkt dat een verkoper die deze drempel in het voorafgaande belastingjaar niet heeft behaald en wil profiteren van het 0%-tarief, de btw moet teruggeven via een marktdeelnemer wiens activiteit bestaat in de verrichting van teruggaaf. Verzoeker gaat in cassatie.

 

De verwijzende POL rechter (hoogste bestuursrechter) stelt vast dat het model van belastingheffing (belasten van goederen op de plaats van bestemming) ook geldt voor goederen die meegaan in de persoonlijke bagage van reizigers naar buiten het EU-grondgebied. Hiervoor geldt dan ook het 0%-tarief. In de RL zijn geen voorwaarden gesteld zoals in de POL btw-wet. De vrijstellingsvoorwaarden in de RL richten zich op de afnemer, niet op de verkoper. Het HvJEU heeft in diverse jurisprudentie de betekenis bepaald van het begrip ‘verzonden’ (voorwaarde voor vrijstelling). De verwijzende rechter beziet of sprake is van een rechtvaardiging (waarborgen juiste inning en voorkomen van fraude): de EULS hebben een beoordelingsmarge maar zoals het HvJEU verschillende malen heeft bepaald mogen maatregelen niet verder gaan dan noodzakelijk. Om te kunnen beoordelen of de POL bepaling over de minimumomzet verenigbaar is met de btw-RL legt hij het HvJEU de volgende vraag voor:

“Moeten artikel 146, lid 1, onder b), en de artikelen 147, 131 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (omissis) aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale regelingen die de toepassing van de vrijstelling uitsluiten jegens een belastingplichtige die niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde omzetdrempel heeft behaald noch een overeenkomst heeft gesloten met een marktdeelnemer die gerechtigd is reizigers de btw terug te geven?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-409/04 Teleos e.a.; C-285/09 R; C-385/09 Nidera; C-438/09 Dankowski, C-273/11 Mecsek-Gabona; C-527/11 Ablessio; C-563/12 BDV Hungary Trading.

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.