Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: concessies (kansspelen); prejudiciële verwijzing; recht vrije vestiging; vrijheid dienstverrichting; vrij kapitaalverkeer; handvest grondrechten (vrij ondernemerschap); vertrouwensbeginsel

Deadline: submit your brief by 15 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Handvest grondrechten artikel 16 (vrij ondernemerschap);

– VWEU artikel 26 (interne markt), 49 (vrije vestiging), 56 (vrije dienstverrichting) en 63 (vrij kapitaalverkeer)

Verzoekster is houder van een concessie voor kansspelen ‘op afstand’ van de ITA autonome dienst voor de staatsmonopolies (AAMS – verweerster). Zij heeft gebruik gemaakt van een wettelijke mogelijkheid (2009) voor het experimenteren met en exploiteren van bepaalde systemen voor kansspelen. Haar concessie is zonder onderbreking vernieuwd. Bij wet (220/2010) zijn nieuwe eisen en verplichtingen opgesteld die ook gelden voor reeds bestaande overeenkomsten (besluit van 28-06-2011). Het betreft de economisch-financiële soliditeit van de concessiehouders alsmede versterking van hun eerbaarheid en betrouwbaarheid. Verzoekster start een procedure wegens inbreuk op haar concessierechten. Zij eist nietigverklaring van het besluit en schadevergoeding wegens strijd met communautaire beginselen (vrijheid mededinging, vrij verkeer diensten, vrij kapitaalverkeer en met ITA recht, onder meer het in de ITA Gw verankerde vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel). De rechter in eerste instantie wijst schending van nationaal recht gedeeltelijk toe maar stelt dat van schending van EUrecht en de ITA Gw geen sprake is. Hij wijst op het nastreven van bescherming van de openbare orde en van consumenten. De gewraakte wet is ingevoerd gezien het feit dat de aan kansspelen verbonden activiteiten een aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigen, die vereist dat een doeltreffend beschermingssysteem wordt opgezet om te voorkomen dat zij op frauduleuze wijze of voor criminele doeleinden worden geëxploiteerd. Verzoekster gaat in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende ITA RvS betoogt verzoekster schending van het vertrouwensbeginsel (de regeling met terugwerkende kracht) en ongrondwettigheid van wet 220/2010 wegens strijd met de ITA Gw (aantasting vrijheid ondernemerschap). In een tussenvonnis wordt het beroep van verzoekster gedeeltelijk toegewezen op grond van het door haar aangevoerde middel dat de oplegging van een ongunstigere overeenkomst onrechtmatig is, aangezien investeringen zijn gedaan omdat erop werd vertrouwd dat de bestaande overeenkomst zonder onderbreking zou worden voortgezet. Aangezien de rechter twijfelt aan de grondwettigheid van de in de nieuwe wet ingevoerde nieuwe eisen en verplichtingen legt hij bij besluit van 23-09-2013 een vraag voor aan het Constitutioneel Hof. Dat Hof

wijst ongrondwettigheid af en wijst op de jurisprudentie van het HvJEU op dat terrein (vereiste van een bijzonder hoog beschermingsniveau voor consumenten, beheersing van de aan deze sector verbonden gevaren, beperkingen geïnspireerd door dwingende redenen van algemeen belang en evenredigheid).

De verwijzende rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van de ITA regeling met EUrecht gezien de daarmee ingevoerde beperkingen en de door verzoekster gestelde strijd met de vrijheden. Als rechter in laatste aanleg vraagt hij zich nu wel af of hij, gezien de uitspraak van het ITA constitutioneel Hof alsnog een vraag moet voorleggen aan het HvJEU. Zijn vragen luiden als volgt:

– Primair: “kan artikel 267, derde alinea, van het VWEU aldus worden uitgelegd dat de rechter in laatste instantie niet onvoorwaardelijk verplicht is een vraag van uitlegging van Europees recht te verwijzen voor een prejudiciële beslissing indien de Corte costituzionale tijdens het betrokken geding bij de beoordeling van de grondwettelijkheid van de nationale regeling in wezen dezelfde regelgevingsparameters heeft gebruikt als die waarvan de uitlegging aan het Hof van Justitie wordt verzocht, ook al zijn zij formeel verschillend omdat zij in de grondwet en niet in Europese verdragen zijn vastgelegd?”

– Subsidiair, voor het geval het Hof op de vraag naar de uitlegging van artikel 267, derde alinea, VWEU antwoordt dat de prejudiciële verwijzing verplicht is:

“verzetten de bepalingen en beginselen als bedoeld in de artikelen 26 (Interne markt), 49 (Recht van vestiging), 56 (Vrijheid van dienstverrichting) en 63 (Vrij verkeer van kapitaal) van het VWEU, artikel 16 (Vrijheid van ondernemerschap) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en het algemene vertrouwensbeginsel (dat ‚één van de fundamentele beginselen van de Unie is’, zoals vastgesteld door het Hof van Justitie in het arrest van 14 maart 2013, C-545/11) zich tegen de vaststelling en toepassing van een nationale regeling [artikel 1, lid 78, onder b), nr. 4, 8, 9, 17, 23, 25, van wet nr. 220/2010] die ook aan houders van reeds bestaande concessies voor het beheer op afstand van legale kansspelen nieuwe vereisten en verplichtingen oplegt door middel van een addendum bij de reeds bestaande overeenkomst (en zonder enige bepaling inzake de geleidelijke aanpassing)?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-545/11 Agrargenossenschaft Neuzelle; C-212/08 Zeturf
Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.