Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: douanewetboek; anti-dumping;

Deadline: submit your brief by 26 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – antidumpingverordeningen (schoeisel uit VRC en Vietnam) 553/2006 en 1472/2006;
– Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad.

Verzoekster is een in FRA gevestigde vennootschap. Zij importeerde van 28-06-2006 tot 24-01-2011 ladingen schoenen via de haven van Antwerpen vanuit VRC. Zij betaalde daarvoor antidumpingrechten op grond van de geldende verordeningen. Verzoekster vraagt 27-06-2012 terugbetaling van de betaalde heffingen op grond van arrest C-249/10 P maar dat wordt bij beschikking van 14-09-2012 afgewezen. Beroep tegen die beslissing wordt geschorst (in verband met liggende zaken) maar verzoekster gaat 24-10-2013 in beroep tegen uitblijven beschikking. Op 22-09-2014 heeft zij de huidige vordering tegen de BEL staat ingesteld wegens onterechte inning van antidumpingrechten. In C-249/10 P heeft het HvJEU de verordeningen (553/2006 en 1472/2006) nietig verklaard ten aanzien van indieners (en hetzelfde geldt voor gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14). Verzoekster stelt dat deze uitspraken dienen door te werken ten aanzien van haar verzoek en dat een nieuwe vraag aan het HvJEU moet worden voorgelegd. Dit wordt geweigerd omdat verzoekster niet kan aantonen dat zij schoenen uit Taiwan importeerde.

Verweerder wijst op het in C-659/13 en C-34/14 door het HvJEU reeds gegeven oordeel dat geen sprake is van doorwerking; verzoekster zou er ten onrechte van uitgaan dat de genoemde arresten, waarin (beperkte) nietigheid is uitgesproken, algemene werking hebben.

Verzoekster vordert daarnaast terugbetaling van een bedrag op grond van nietigheid van Vo. 1294/2009 aangezien de EURCIE artikel 1 en 17 van de BasisVo. zou hebben geschonden door zich bij het onderzoek te beperken tot een beperkte steekproef, terwijl daarvoor geen reden was. Verzoekster werd van die steekproef uitgesloten zodat dumping en schade niet kon worden vastgesteld. Zij stelt dat de steekproef door de wijze van uitvoering niet representatief was voor alle typen importeur.

De verwijzende BEL rechter (Rb Brussel) moet, gelet op het feit dat nationale instanties niet bevoegd zijn om de ongeldigheid van handelingen van gemeenschapsinstellingen vast te stellen, de volgende vragen aan het HvJEU voorleggen:

1. Is verordening 1294/2009 ongeldig ten aanzien van een importeur zoals die in het geding, gelet op de schending van artikel 17, lid 1 van de Basisverordening, nu de Commissie bij haar nieuwe onderzoek een steekproef heeft gebruikt, bovendien slechts van 8 importeurs, niettegenstaande een beheersbaar aantal van 21 importeurs diende te worden onderzocht?

2. Is Verordening 1294/2009 ongeldig ten aanzien van een importeur zoals die in het geding, gelet op de schending van artikel 11, lid 2, § 3 van de Basisverordenlng, nu de Commissie bij haar nieuw onderzoek onvoldoende rekening heeft gehouden met het aangebrachte bewijsmateriaal door in de steekproef 5 grote importeurs tegenover slechts 3 kleine importeurs op te nemen, en bovendien hoofdzakelijk rekening te houden met de door de 5 grote importeurs aangebrachte gegevens?

3. Is Verordening 1294/2009 ongeldig ten aanzien van een importeur zoals die in het geding, gelet op de schending van artikel 2 en artikel 3 Basisverordening en/of artikel 11, lid 2, lid 5 en lid 9 Basisverordening, nu de Commissie bij haar nieuwe onderzoek over onvoldoende gegevens beschikte om vast te stellen dat nog steeds invoer met dumping plaatsvindt en dat daardoor schade ontstaat?

4. Is Verordening 1294/2009 ongeldig ten aanzien van een importeur zoals die in het geding, gelet op de schending van artikel 21 Basisverordening, nu de Commissie bij haar nieuw onderzoek vereist dat er speciale aanwijzingen zijn dat een importeur onevenredig wordt belast door een verlenging?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-249/10 P Brosman Footwear; C-659/13 en C-34/14 C&J Clark en Puma;

Specifiek beleidsterrein: BZ/BEB en FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.