Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: asielaanvraag; subsidiaire beschermingsstatus; verbod op martelen

Deadline: submit your brief by 29 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp:- EVRM artikel 3 (verbod op martelen)
 – richtlijn 2004/83/EG van de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.

Verzoeker, Sri Lankaan, is in januari 2005 (toen 28 jaar) als student toegelaten tot VK. Kort voor het verlopen van zijn verblijfstitel (30-09-2008) vraagt hij verlenging aan, dat 11-12-2008 wordt geweigerd. Daarna dient hij een asielaanvraag in op de grond dat hij lid is geweest van Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) en dat hij bij terugkeer risico loopt op mishandeling door de Sri Lankaanse ordestrijdkrachten, zoals in het verleden was gebeurd. Op 23-09-2009 wordt zijn verzoek door verweerder (StasBiZa) afgewezen: verweerder gelooft niet dat Sri LankaanAut nog steeds in hem geïnteresseerd zouden zijn. Verzoeker start een procedure bij het Upper Tribunal dat 05-07-2013, ondanks een ‘landenrichtsnoer’ met betrekking tot risico’s voor Tamils, het medisch bewijs van verwondingen en het rapport van een psychiater eveneens oordeelt dat interesse van Sri LankaanAut in hem niet aannemelijk is. Op grond van het vluchtelingenverdrag faalt het beroep dan ook, maar op grond van EVRM artikel 3 wijst hij het beroep toe, met name gezien de slechte geestelijke gezondheid van verzoeker en het gebrek aan psychiatrische hulp in Sri Lanka. Het Court of Appeal oordeelt dat het niet de bedoeling van RL 2004/83 is dat deze geldt voor artikel 3-gevallen waarin eerder sprake is van een risico voor de gezondheid of voor suïcide dan voor vervolging, verwijzend naar de uitspraak van het EHRM in N/VK van 27-05-2008. Verzoeker heeft aangevoerd dat het een cruciaal verschil maakt voor de toepasselijkheid van RL 2004/83 dat de Sri LankaAut door de mishandeling in het verleden verantwoordelijk waren voor zijn geestesziekte, maar het Hof oordeelt dat dit argument het begrip subsidiaire bescherming te ver oprekt. Verweerder wijst op het vereiste van artikel 15 van RL 2004/83 dat er risico op toekomstige mishandeling moet bestaan in het land van herkomst waarvoor de eigen overheid verantwoordelijk zal zijn, ook als die schade wordt toegebracht door een niet-overheidsactor waartegen de overheid geen bescherming kan of wil bieden.

De verwijzende VK rechter (Supreme Court) stelt vast dat de principiële vraag in deze zaak omstreden is en moet worden voorgelegd aan het HvJEU:

“Valt onder de artikelen 2, onder e), juncto 15, onder b), van richtlijn 2004/83/EG van de Raad een reëel risico op ernstige schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, als gevolg van eerdere foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, waarvoor het herkomstland verantwoordelijk was?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: N/VK EHRM 27 mei 2008, 26565/05;

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB; DJZ/IR

 

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.