Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken

Deadline: submit your brief by 4 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van (enz);

Verzoekster verwerft schuldvorderingen op basis van overeenkomsten tot cessie met banken. Zij wordt naar aanleiding van klachten van consumenten door de LIT ACM beboet (10-04-2014) op grond van de wet oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten. Zij stelt tegen het besluit beroep tot nietigverklaring in. De Rb verklaart het beroep 18-05-2015 ongegrond omdat verzoekster aan haar cliënten niet verduidelijkt hoe de gevorderde bedragen worden berekend en om welke reden die zijn opgenomen. Bij sommige schuldenaren groeide het in te vorderen bedrag ondanks dat werd afgelost. Consumenten hebben recht op die informatie. Verzoekster gaat in hoger beroep. Verzoekster stelt dat het LIT recht niet verbiedt handelingen om handelingen inzake schuldinvordering te verrichten vóór of na een gerechtelijke procedure en evenmin dat het wettelijk verboden is om een schuldenaar mee te delen dat hij de schuldeiser bepaalde bedragen moet betalen die zijn vastgesteld in een rechterlijke beslissing, en dat zij, zolang de consument de hoofdsom van de schuld niet heeft afgelost, de nieuwe vorderingsrechten (met betrekking tot vertragingsrente en andere rente e.d.) die zijn ontstaan na de datum van de rechterlijke beslissing mag uitoefenen.

De verwijzende LIT rechter (hoogste bestuursrechter) wijst op de uitleg van het HvJEU in de gevoegde zaken C-261/07 en C-299/07, en in C-435/11, met betrekking tot de uitdrukking ‘het economische gedrag van consumenten wezenlijk verstoren’: een praktijk is oneerlijk in de zin van de RL indien zij de consument ertoe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. De rechter zal dus moeten bezien of verzoekster zich aan oneerlijke praktijken schuldig heeft gemaakt. Na onderzoek van de bewoordingen van de definitie van “product” in de RL, is het voor de rechter niet duidelijk of appellantes handelspraktijken kunnen worden aangemerkt als een product (dienst) in de zin van de RL. Verzoekster is ook beboet voor handelspraktijken inzake schuldinvordering in twee gevallen waarin de schulden van de schuldenaars reeds werden ingevorderd bij gerechtsdeurwaardersexploot. De rechter vraagt zich ook af of in gevallen waarin de schulden van een natuurlijke persoon worden ingevorderd bij gerechtsdeurwaardersexploot, activiteiten inzake schuld-invorderingsbeheer die door de onderneming onafhankelijk daarvan en parallel daarmee worden verricht, moeten worden beschouwd als een product in de zin van de richtlijn, en dus kan worden onderzocht welke mogelijkheden de consument heeft bij het nemen van een besluit over de transactie wanneer de onderneming handelspraktijken verricht op een bijzondere wijze die mogelijk aan de andere kenmerken van een oneerlijke handelspraktijk beantwoordt. Hij legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:

1. Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, wanneer de onderneming handelingen inzake schuldinvordering verricht?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn ook betrekking op handelingen die bij de uitoefening van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering worden verricht in het kader van de schuldinvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke schuldeiser gesloten consumentenkredietovereenkomst?

3. Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, binnen de werkingssfeer van de richtlijn, wanneer de onderneming parallelle handelingen inzake schuldinvordering verricht?

4. Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn ook betrekking op handelingen die bij de uitoefening van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering worden verricht in het kader van de schuldinvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke schuldeiser gesloten consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-261/07 en C-299/07 VTBVAB e.a.; C-435/11 CHS; C-281/12 Trento Sviluppo

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

   

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.