C-358/16 UBS et Alain Hondequin, Holzem, et consorts

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: beginsel behoorlijk bestuur; eerlijk proces; beroepsgeheim

Deadline: submit your brief by 29 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – handvest grondrechten artikel 41 (behoorlijk bestuur);
– richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad

De zaak betreft de oprichting (en ondergang) van een beleggingsvennootschap (Luxalpha) door de Union des banques suisses Luxembourg (UBSL) en de rol daarin van advocaat Delandmeter die later bestuurder van Luxalpha wordt. LUX AFM (CSSF) neemt 25-02-2009 een administratief besluit waarin onder mee wordt verweten dat UBSL in de prospectussen de tussenkomst en de rol van Madoff in de Luxalpha-structuur en een beding tot uitsluiting van aansprakelijkheid als bewarende bank in het goedkeuringsdossier voor CSSF verborgen heeft gehouden. Delandmeter zou hebben nagelaten dit onder de aandacht te brengen. CSSF gelast hem bij besluit van 04-01-2010 zijn functie neer te leggen. Delandmeter gaat tegen dat besluit in beroep bij de bestuursrechter. Hij vraagt bij CSSF stukken op uit de Amerikaanse procedure (Luxalpha/UBL/Madoff) waaruit zou blijken welke rol de verschillende personen bij de oprichting van Luxalpha hadden gespeeld, maar dit wordt 09-04-2013 op grond van het beroepsgeheim en omdat het verzoek onvoldoende nauwkeurig was geweigerd. 05-06-2013 gaat hij tegen dat besluit in beroep, waarin hij zijn verzoek specificeert. Hij wordt 05-06-2014 gedeeltelijk in het gelijk gesteld (inzage in één brief van 31-12-2008 van CSSF aan UBSL over de zaak Madoff). In hoger beroep herinnert de rechter eraan dat het een procesincident betreft in verband met de nog lopende hoofdprocedure (neerleggen functie) en dat gezien de (administratieve) sanctie die in het licht van de eisen van EVRM artikel 6 sterk lijkt op een strafrechtelijke sanctie de rechten van de verdediging met de grootste zorg moeten worden geëerbiedigd. CSSF zou zich ten onrechte op haar geheimhoudingsplicht beroepen, terwijl in haar oprichtingswet van 23-12-1998 is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt bij beroepen tegen een besluit dat de CSSF in de uitoefening van haar taken heeft vastgesteld. Omdat er in zijn ogen geen rechtvaardiging voor de (ongemotiveerde) weigering is beveelt hij alle gevraagde stukken in de zaak Madoff over te leggen. Verzoekers in onderhavige procedure tekenen (23-10-2015 en 03-03-2016) derdenverzet tegen dat besluit aan.

Bij de verwijzende LUX rechter (Administratief Hof Luxemburg) stellen verzoekers met name dat de rechter geen rekening heeft gehouden met het arrest in C-140/13 (eerbiedigen beroepsgeheim van artikel 54 van RL 2004/39) en verwerpen dan ook de door de rechter gehanteerde ‘globale’ aanpak.

De verwijzende rechter oordeelt dat gezien de aan Delandmeter opgelegde sanctie RL 2004/39 van toepassing is. Gelet op het arrest Altmann legt hij vragen voor over de uitleg van artikel 54 leden 1 en 3 van de RL:

1. Is de uitzondering voor ‘gevallen die onder het strafrecht […] vallen’, die zowel is opgenomen in artikel 54, lid 1, in fine, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad als in lid 3 van ditzelfde artikel – meer in het bijzonder tegen de achtergrond van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’), waarin het beginsel van behoorlijk bestuur is verankerd – van toepassing op een geval waarin een sanctie is opgelegd die volgens het nationale recht administratief van aard is maar uit het oogpunt van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet worden geacht onder het strafrecht te vallen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sanctie, die door de nationale regelgevende instantie (de toezichthouder) is opgelegd en die bestaat in een verbod voor een lid van de nationale balie om binnen een onder het toezicht van deze regelgevende instantie staande entiteit nog langer een bestuursfunctie of een andere aan goedkeuring onderworpen functie uit te oefenen alsook in een bevel aan diezelfde persoon om al zijn functies van dien aard zo snel mogelijk neer te leggen?

2. Voor zover de voornoemde sanctie, die in het nationale recht wordt aangemerkt als administratieve sanctie, in het kader van een administratieve procedure is opgelegd, in welke mate wordt de verplichting tot bewaring van het beroepsgeheim waarop een nationale toezichthouder zich kan beroepen uit hoofde van artikel 54 van de voornoemde richtlijn 2004/39/EG, dan beïnvloed door de vereisten van een eerlijk proces (met inbegrip van een doeltreffende voorziening in rechte), zoals deze voortvloeien uit artikel 47 van het Handvest, bezien in de verhouding tot de vereisten die parallel voortvloeien uit de artikelen 6 en 13 EVRM inzake een eerlijk proces en daadwerkelijke rechtsmiddelen, alsook tot alle waarborgen van artikel 48 van het Handvest, meer in het bijzonder in het licht van de volledige toegang van de bestrafte burger – met het oog op de verdediging van zijn belangen en burgerrechten – tot het administratieve dossier van de instantie die een administratieve sanctie heeft opgelegd en die tevens de nationale toezichthouder is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-140/13 Altmann e.a.

Specifiek beleidsterrein: FIN en VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.