Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; vrijstellingen; plaats van levering

Deadline: submit your brief by 19 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is een in LIT gevestigde onderneming die handelt in bevroren vis. Zij voert (periode 01-07-2008 – 31-12-2010) vis in vanuit Kazachstan en levert deze aan een in EST gevestigde firma (Megalain) die in LIT niet voor btw-doeleinden is geregistreerd. De leveringen vinden plaats op basis van een overeenkomst inzake commerciële samenwerking (2006). Megalain verbindt zich daarbij de goederen binnen 30 dagen uit LIT uit te voeren en verzoekster daarvoor de nodige documenten voor bewijs van uitvoer te leveren. Verzoekster zorgt gedurende de 30 dagen voor opslag en is ook verantwoordelijk voor de kosten daarvoor. Zij geeft btw-facturen af waarop Megalain als afnemer is vermeld tezamen met het in EST afgegeven btw-nummer. Voor de transacties geldt conform de LIT btw-wet het 0-tarief. Megalain verkoopt/levert de meeste producten op de dag van ontvangst meteen vanuit LIT door aan belastingplichtigen in andere EULS, met btw-facturen waarop geen btw in rekening wordt gebracht (op grond van artikel 28 quater, E, lid 3 RL 2006/112). Een deel wordt eerst bewerkt in een pakhuis en daarna doorgeleverd (maar ook vanuit LIT). Bij een belastingcontrole door verweerster (belastingdienst) krijgt verzoekster dan ook een naheffing btw over de leveringen aan Megalain. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het om binnenlandse leveringen gaat. Verzoekster start een procedure en wordt door de belastinggeschillencommissie (02-06-2014) in het gelijk gesteld. Verweerster gaat in beroep waarna 23-03-2015 het eerdere besluit nietig wordt verklaard. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende LIT rechter (hoogste bestuursrechter) gaat ervan uit dat Megalain op het moment dat zij met afnemers in de andere EULS transacties aanging als eigenaar over de door verzoekster geleverde goederen mocht beschikken. Het gaat dus om twee opeenvolgende leveringen waarbij moet worden vastgesteld welke de vrijgestelde (intracommunautaire) levering is. Het HvJEU heeft in arrest C-245/04 en in C-430/09 uitleg gegeven hoe dit moet worden beoordeeld. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1) Moeten de artikelen 138, lid 1, 140, onder a), en/of 141 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met, onder meer, de artikelen 33 en 40 daarvan, aldus worden uitgelegd dat, in omstandigheden als hier (in het hoofdgeding) aan de orde, de levering van goederen door een in een eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige overeenkomstig die bepalingen moet worden vrijgesteld in het geval waarin, vóór die leveringstransactie plaatsvindt, de afnemer (dat wil zeggen een persoon die is geïdentificeerd als belastingplichtige in een tweede lidstaat) te kennen geeft voornemens te zijn die goederen onmiddellijk, alvorens ze te vervoeren vanuit de eerste lidstaat, door te verkopen aan een in een derde lidstaat gevestigde belastingplichtige, voor wie die goederen ook worden vervoerd (verzonden) naar die derde lidstaat?

2) Wordt het antwoord op vraag 1 beïnvloed door het feit dat een deel van de goederen werd bewerkt in opdracht van de (voor belastingdoeleinden) in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige, voordat zij werden uitgevoerd naar de derde lidstaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-245/04 EMAG; C-430/09 Eurotyre;

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.