Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; neutraliteitsbeginsel

Deadline: submit your brief by 21 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is een in NL gevestigde onderneming. Zij koopt in LIT tussen februari en mei 2008 tarwe. De factuur is inclusief de btw. Zij exporteert vervolgens in die periode alle tarwe naar derde landen onder toepassing van het in het LIT recht voorziene btw-0-tarief. Op 14-07-2008 vraagt verzoekster registratie als belastingplichtige voor btw-doeleinden, dat op 12-08-2008 wordt toegekend. Zij geeft vervolgens de btw aan en vraagt 29-09-2008 terugbetaling van btw + rente. Verweerster (belastingdienst) weigert dit (19-03-2009) wegens de tijdens de transactie ontbrekende btw-registratie. Verzoekster wendt zich tot de belastinggeschillencommissie die een vraag voorlegt aan het HvJEU (zie zaak C-385/09) waarin het HvJEU verzoeksters recht op btw-aftrek erkende. Verzoekster krijgt op 22-12-2010 een bedrag terug, maar niet de rente. Op 11-06-2011 vraagt verzoekster alsnog om uitbetaling van de rente. Zij krijgt 16-08-2011 weliswaar rente maar niet voor de gevraagde periode (pas vanaf datum arrest). Verweerster stelt daarbij dat zij vóór uitspraak van het HvJEU geen wettelijke basis had voor betaling van de rente. Verzoekster start weer een procedure; haar bezwaar wordt 02-10-2013 afgewezen wegens ontbreken van een juridische basis. Zij gaat in beroep dat op 26-01-2016 (gedeeltelijk) wordt toegewezen, waarop verweerster hoger beroep gaat tot nietigverklaring van die beslissing.

De verwijzende LIT rechter (hoogste bestuursrechter) stelt vast dat het geschil draait om de vraag vanaf welk tijdstip de rente moet worden berekend. Hij haalt rechtspraak van het HvJEU aan waarin is bepaald dat het neutraliteitsbeginsel verlangt dat financieel verlies door uitblijven terugbetalingen aan rechthebbenden moet worden gecompenseerd door het vergoeden van vertragingsrente. Ook mag de methode van terugbetaling voor een belanghebbende geen enkel financieel risico meebrengen. Dat betekent dat in de nationale regelgeving duidelijk en nauwkeurig de criteria moeten worden vastgelegd voor vaststelling van het bedrag.

Om de zaak te kunnen beslissen heeft de rechter nadere uitleg nodig van artikel 183.1 van de btw-RL waarin terugbetaling dan wel verrekening is geregeld.

Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Moet artikel 183 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een vermindering van de rente die normaal gesproken krachtens het nationale recht verschuldigd is over te veel betaalde btw (btw-overschot) die niet tijdig was terugbetaald (verrekend), welke vermindering rekening houdt met omstandigheden die geen verband houden met de handelingen van  de belastingplichtige zelf, zoals de verhouding tussen die rente en de hoogte van het niet tijdig terugbetaalde, te veel betaalde bedrag, de duur van de periode waarin het te veel betaalde bedrag niet was terugbetaald en de redenen daarvoor, alsook de daadwerkelijk door de belastingbetaler geleden verliezen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-25/07 Sosnowska; C-385/09 Nidera; C-107/10 Enel Maritsa; C-431/12 SC Rafinaria Steaua Româna

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.