Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; weigering teruggaaf

Deadline: submit your brief by 20 oktober 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb 1977, L 145, blz. 1)

– Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (Pb 1979, L 311, blz. 11)

Verzoekster is een DUI vennootschap, niet in ROE gevestigd; zij produceert installaties voor staalbewerking. Op 07-02-2008 sluit zij als verkoopster een overeenkomst met Zimekon Austria (koopster), en nog twee partijen, een overeenkomst voor levering van een RSA-systeem (om pijpen te lassen). In die overeenkomst is opgenomen dat koopster (Z Austria) een voorschot betaalt en er zijn termijnen voor de overige betalingen bepaald (april, mei en juni 2008). Nadat koopster enkel het voorschot heeft voldaan (maar niet de overige termijnen) sluit verzoekster toch op 26-08-2008 een onderaannemingsovereenkomst met een TUR bedrijf en plaatst daar een bestelling. Op 27-08-2008 verzoekt koopster om financiële redenen opschorting van de overeenkomst tot 01-09-2009. Verzoekster gaat daarmee op 05-11-2008 akkoord, met verzoek de termijnen alsnog te voldoen en mededeling dat zij haar werk pas zou hervatten na ontvangst daarvan. Op 14-09-2009 importeert verzoekster de in TUR bestelde goederen en betaalt daarover de btw aan ROE. De goederen worden opgeslagen in Jilava/ROE. Koopster voldoet niet meer aan haar verplichtingen zodat de uitvoering van de overeenkomst niet kan worden hervat. Verzoekster is van plan deze te slopen en als oud ijzer te verkopen. Zij vraagt 23-12-2009 op grond van de Achtste btw-RL de betaalde btw terug. ROE belastingdienst (verweerster) vraagt stukken waaruit verdere distributie blijkt. Verzoekster stelt nog steeds van plan te zijn de goederen uit te voeren maar kan geen bestemming aangeven. Bij besluit van 11-08-2010 wordt de teruggaaf geweigerd; teruggaaf is volgens ROE regelgeving enkel mogelijk indien de ingevoerde goederen worden gebruikt voor met zijn economische activiteit samenhangende handelingen waarvoor hij recht op aftrek van de belasting zou hebben gehad indien die handelingen in ROE waren verricht. Verzoekster maakt bezwaar maar dat wordt ongegrond verklaard, waarop zij bij het Hof Boekarest nietigverklaring van het besluit vordert. Ook de rechter wijst de vordering af (30-05-2012) op de grond dat verzoekster geen objectieve bewijzen heeft overgelegd van haar bedoeling de ingevoerde goederen te gebruiken zoals wettelijk voorgeschreven. Verzoekster heeft daarop cassatieberoep ingesteld. Het Hof van Cassatie vernietigt 19-11-2013 het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Hof Boekarest vanwege een verkeerde rechtsgrondslag. Het Hof acht 09-07-2014 het verzoek wederom ongegrond wegens ontbreken van gegevens voor controle van de verdere distributie. De bestemming van de goederen was weliswaar duidelijk gewijzigd en verzoekster heeft aangegeven de goederen in andere projecten te gebruiken, hetgeen ook is gebeurd, maar dat was volgens het Hof onvoldoende. De zaak ligt nu opnieuw voor bij het Hof van Cassatie.

Bij de verwijzende ROE rechter (Hof van Cassatie) stelt verzoekster dat het onwettig is het recht op teruggaaf van btw afhankelijk te stellen van de voorwaarde om de distributie van goederen na invoer ervan te bewijzen in geval een overeenkomst niet is uitgevoerd. Op het tijdstip van invoer stond de intentie tot uitvoering van de overeenkomst nog recht overeind. Zij wijst op de noodzaak tot verduidelijking van de woorden ‘in bijzondere gevallen’ in artikel 6 van de Achtste RL (situaties waarin nationale autoriteiten aanvullende inlichtingen kunnen verzoeken) en of de door ROEaut opgelegde bijkomende verplichtingen verenigbaar zijn met de Achtste RL. Verweerster stelt dat in het ROE belastingwetboek het beginsel van voorrang van economische realiteit op de juridische is neergelegd, zodat de belastingaut het recht hebben ook het nagestreefde economische doel te onderzoeken. Louter aankoop van een goed levert niet tevens een vermoeden op dat dit voor economische doeleinden wordt gebruikt dan wel wordt uitgevoerd naar een land buiten de EU.

Volgens de verwijzende rechter is het duidelijk dat verzoekster de goederen heeft besteld met het oog op uitvoering van de overeenkomst. Op de datum van invoer was verzoekster zich echter al bewust van het risico gezien het uitblijven van de termijnbetalingen. Hij vraagt zich dan ook af wat de gevolgen zijn van het feit dat op het moment van invoer de uitvoering van de overeenkomst al was opgeschort en legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Moeten de artikelen 2 tot en met 5 van [de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen] juncto artikel 17, leden 2 en 3, onder a), [van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een praktijk van de nationale belastingdienst volgens welke er geen objectieve gegevens zijn die het door de belastingplichtige uitgesproken voornemen bevestigen om de ingevoerde goederen in het kader van zijn economische activiteit te gebruiken, indien de overeenkomst voor de uitvoering waarvan de belastingplichtige de goederen heeft gekocht of ingevoerd, op de datum van de daadwerkelijke invoer was geschorst, met het ernstige risico dat de daaropvolgende levering/handeling waarvoor de ingevoerde goederen bestemd waren, niet meer wordt verricht?

2) Vormt de verplichting om de verdere distributie van de ingevoerde goederen te bewijzen, namelijk om aan te tonen of en hoe de ingevoerde goederen werkelijk zijn bestemd voor de belastbare handelingen van de belastingplichtige, een andere aanvullende voorwaarde voor teruggaaf van de btw dan die welke zijn opgesomd in de artikelen 3 en 4 van de Achtste richtlijn, die is verboden door artikel 6 van die richtlijn, dan wel een noodzakelijke inlichting met betrekking tot de materiële voorwaarde voor teruggaaf in verband met het gebruik van de ingevoerde goederen in het kader van de belastbare handelingen, waar de belastingdienst krachtens artikel 6 van die richtlijn mag om verzoeken?

3) Moeten de artikelen 2 tot en met 5 van de Achtste richtlijn juncto artikel 17, leden 2 en 3, onder a), van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd dat het recht op teruggaaf van de btw kan worden ontzegd indien de geplande daaropvolgende handeling, in het kader waarvan de ingevoerde goederen zouden worden gebruikt, niet meer is verricht? Wordt in die omstandigheid de werkelijke bestemming van de goederen relevant, dat wil zeggen de vraag of, hoe en op welk grondgebied de goederen zijn gebruikt, namelijk in de lidstaat waar de btw is betaald dan wel buiten die lidstaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN

 

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.