Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; kwijtschelding; insolventie

Deadline: submit your brief by 6 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Deze zaak is eerder geschorst in afwachting van het arrest in C-546/14 Degano Trasporti. Maar het arrest in die zaak (07-04-2016) heeft blijkbaar niet de gehoopte verlichting gebracht.
Verzoekster is beherend vennoot van een failliete ITA vennootschap. Zij maakt bezwaar tegen een btw-oplegging over het jaar 2003. In twee instanties is geoordeeld dat verzoekster de opgelegde bedragen niet verschuldigd is omdat verzoeksters schulden in april 2008 zijn kwijtgescholden. Uit de ITA wetgeving wordt echter niet duidelijk of belastingschulden daaronder begrepen zijn. Evenals in Degano Trasporti is hier de vraag of het verenigbaar is met EU-recht dat btw-vorderingen worden kwijtgescholden. In die zaak ging het echter om het preventieve akkoord, in onderhavige zaak gaat het om insolventie.

De verwijzende ITA rechter (Hof van Cassatie) haalt zaak C-132/06 (CIE-ITA) aan waarin (van belang voor deze zaak) het Hof stelt dat de EULS gehouden zijn nakoming van de op de belastingplichtigen rustende verplichtingen te waarborgen en daarbij beschikken over een zekere bewegingsvrijheid maar dat die bewegingsvrijheid wordt beperkt door de verplichting om de doeltreffende inning van de eigen middelen van de Unie te waarborgen en geen verschillen in behandeling voor belastingplichtigen in de EU in het leven te roepen. Het vereiste van fiscale neutraliteit verzet zich tegen verschillende behandeling. De nationale wetgever heeft de uitputtende lijst van schulden die kunnen worden uitgesloten opgesteld als stimulans om een maatschappelijk nuttig geachte economische activiteit te hervatten. Het HvJEU zal dan ook de vraag worden voorgelegd of de ITA regeling al dan niet in strijd is met de uit het EUrecht voortvloeiende gemeenschapsbeginselen:
“Moeten artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde die bepaalt dat btw-schulden van personen die zijn toegelaten tot de kwijtscheldingsprocedure van de artikelen 142 en 143 Legge fallimentare tenietgaan?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-132/06 CIE|/ITA; C-500/10 Ufficio IVA di Piacenza
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.