Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB); weigeringsgronden; gelijkstelling met NL burger

Deadline: submit your brief by 15 januari 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Verklaringen van sommige lidstaten bij de aanneming van het kaderbesluit;
– Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

Verzoeker is een in NL verblijvende POL staatsburger. Het tegen hem uitgevaardigde EAB vermeldt dat hij op 05-02-2007 in POL is veroordeeld tot één jaar vrijheidsstraf en dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden op 13-07-2007. POLaut hebben zijn overlevering verzocht. De Rb AMS (zaak geopend in maart 2014) ziet geen gronden tot weigering van de overlevering, maar verzoeker stelt dat hij voldoet aan alle voorwaarden van artikel 6.5 Overleveringswet (OLW, gelijkstelling met een NL burger). De Rb heeft geconstateerd dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf van meer dan vijf jaar. Het OM stelt echter dat de overlevering niet mag worden geweigerd op grond van OLW artikel 6.2 in verbinding met artikel 6.5 met het oog op de tussen NL en POL geldende regelingen (kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909, Verdrag overbrenging gevonniste personen + aanvullend protocol waarin onder meer het ‘vluchtcriterium’ en de Schengen Uitvoeringovereenkomst). Sinds 01-07-2014 is door de Wet herziening regels betreffende de extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken de mogelijkheid geschapen om rechtsmacht uit te oefenen over vreemdelingen die vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in NL verblijven en nu onder OLW artikel 6.5 vallen. De POL wetgeving staat echter geen overdracht van strafvervolging toe indien sprake is van een onherroepelijke veroordeling, zoals in casu, en nog eens bevestigd in briefwisseling tussen MinVenJ en POLaut.
In een eerdere zaak heeft de Rb geoordeeld dat een kaderbesluitconforme uitleg van OLW artikel 6.2 en 3 niet mogelijk is omdat dat contra legem zou zijn gezien de woordkeuze van de NL wetgever (‘bereidverklaring’ in plaats van ‘verbintenis’). Het OM stelt dat van uitleg contra legem geen sprake hoeft te zijn indien de Rb OLW artikel 6.2 en 3 zo uitlegt dat ‘bereid verklaren’ een vorm van ‘verbinden’ is. Overlevering kan dan alsnog worden toegestaan in zaken waarin overname van de straf niet mogelijk is. Tenuitvoerlegging mag nooit uitblijven (met als gevolg straffeloosheid en dat NL een ‘safe haven’ wordt). De HR heeft dit eerder als rechtvaardiging voor discriminatie op grond van nationaliteit aanvaard.

De verwijzende NL rechter (Rb Amsterdam) oordeelt dat het systeem van OLW artikel 6.2 en 3 zich niet verdraagt met Kaderbesluit 2002/584/JBZ artikel 4.6 omdat de “verbintenis” tot tenuitvoerlegging als bedoeld in dat artikel een noodzakelijke voorwaarde is voor de weigering van de executieoverlevering van een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende LS. Deze voorwaarde beoogt kennelijk te voorkomen dat die onderdaan of ingezetene zijn straf ontloopt. Zelfs indien men die “verbintenis” opvat als een eenzijdige verbindende toezegging van de uitvoerende LS en zelfs indien men de “bereidheid” als bedoeld in OLW artikel 6.3 opvat als zo een “verbintenis”, dan nog volgt uit het wettelijk systeem dat de weigering van de executieoverlevering uitsluitend op grond van dat artikel een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de totstandkoming van die “verbintenis”/”bereidheid”. Hij legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
I. Mag een lidstaat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht dat:
zijn uitvoerende rechterlijke autoriteit zonder meer verplicht is de executie overlevering van een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat te weigeren, deze weigering van rechtswege de bereidheid tot overname van de tenuitvoerlegging van de aan die onderdaan of ingezetene opgelegde vrijheidsstraf in het leven roept, maar dat de beslissing over de overname van de tenuitvoerlegging pas na de weigering van de executie overlevering wordt genomen en dat een positieve beslissing afhankelijk is van
(1) een basis in een verdrag dat tussen de uitvaardigende lidstaat en uitvoerende lidstaat van kracht is,
(2) de voorwaarden die dat verdrag stelt en
(3) de medewerking van de uitvaardigende lidstaat zoals het doen van een daartoe strekkend verzoek, zodat het risico bestaat dat de uitvoerende lidstaat na weigering van de executieoverlevering de tenuitvoerlegging niet kan overnemen, terwijl dit risico niet afdoet aan de verplichting tot weigering van de executieoverlevering?
II. Indien het antwoord op vraag I ontkennend luidt,
a) kan de nationale rechter de bepalingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ rechtstreeks toepassen, ook al worden ingevolge artikel 9 van Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de rechtsgevolgen van dit kaderbesluit gehandhaafd, zolang dit kaderbesluit niet ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd is
b) zo ja, is artikel 4, punt 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk om door de nationale rechter te worden toegepast?
III. Indien het antwoord op vragen I en II b) ontkennend luidt: mag een lidstaat wiens nationale recht voor de overname van de tenuitvoerlegging van de buitenlandse vrijheidsstraf een basis in een daartoe strekkend verdrag eist artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht dat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zelf de vereiste verdragsbasis oplevert, teneinde het aan de aan de nationale eis van een verdragsbasis verbonden risico van straffeloosheid te vermijden (zie vraag I)?
IV. Indien het antwoord op vragen I en II b) ontkennend luidt: mag een lidstaat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht, dat:
– hij voor de weigering van de executieoverlevering van een ingezetene van de uitvoerende lidstaat die onderdaan is van een andere lidstaat als voorwaarde stelt dat de uitvoerende lidstaat rechtsmacht heeft voor de in het EAB bedoelde feiten en dat geen feitelijke beletselen bestaan voor een (eventuele) strafvervolging in de uitvoerende lidstaat van die ingezetene voor die feiten (zoals de weigering van de uitvaardigende lidstaat om het strafdossier over te dragen aan de uitvoerende lidstaat),
– terwijl hij zo een voorwaarde niet stelt voor de weigering van de executieoverlevering van een onderdaan van de uitvoerende lidstaat?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-123/08 Wolzenburg; C-42/11 Lopes da Silva;
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

Leave Your Brief

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.