Category

btw

C-132/16 Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments

By | aftrekposten, btw, dienstverrichting ‘om niet’ | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; aftrekposten; dienstverrichting ‘om niet’

Deadline: submit your brief by 25 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is een vastgoedbedrijf. Zij krijgt een naheffingsaanslag van de regionale belastingdienst omdat haar het recht op aftrek btw over een factuur van Severni Vodi wordt geweigerd. Het betreft een factuur voor bouw en montagewerkzaamheden / reparatie van een pompstation voor afvalwater in een vakantiedorp (‘op eigen terrein’) en in het dorp Lozenets, beide in de BUL gemeente Tsarevo. Verzoekster treedt op als investeerder in het gebied, Severni Vodi is de exploitant van het vakantiedorp. Een deskundige heeft een (accountants)rapport opgesteld met betrekking tot de factuur waarbij hem is gebleken dat de bedragen op de factuur geboekt zijn onder ‘vooruitbetaalde uitgaven’ en op de resultatenrekening als voorraad voor 2009 en 2010 werden opgenomen. De administratieve rechter heeft de overeenkomsten onderzocht en geoordeeld dat de door verzoekster gefinancierde reparatie tot gevolg heeft dat de gemeente een dienstverrichting om niet heeft ontvangen. Aftrek daarvan is in de BUL btw-wet uitgesloten. Hij vernietigt de naheffingsaanslag omdat het feit dat de infrastructuuronderdelen eigendom van de gemeente zijn niet impliceert dat de verrichte diensten om niet bedoeld waren. De diensten hadden tot doel Severni Vodi de mogelijkheid te geven een vakantiedorp te bouwen. Verweerder stelt dat RL 2006/112 zich niet tegen een nationale regeling verzet die het recht op aftrek weigert voor toekomstige leveringen/diensten, maar blijft erbij dat verzoekster ten behoeve van de gemeente een dienst om niet heeft verricht waarvoor zij op grond van de BUL regeling geen recht op aftrek van de voorbelasting geniet.

De verwijzende BUL rechter (Hoogste bestuursrechter) stelt vast dat het geschil tussen partijen de geldigheid van de publiek-private partnerschapsovereenkomst betreft en dat er tegenstrijdigheid in de BUL rechtspraak is opgetreden door verschillen in de feiten van onderhavig geding en het feitelijk kader van zaken die leidden tot uitspraken van het HvJEU in C-118/11 en C-153/11. In de BUL regelgeving is de dienstverrichting om niet een zelfstandige basis voor weigering van het recht op aftrek van voorbelasting, ook al wordt deze zoals verzoekster betoogt enkel verricht in het kader van de economische activiteiten van de dienstontvanger, terwijl het in RL 2006/112 gaat om een cumulatieve voorwaarde. De rechter stelt dan ook vragen aan het HvJEU om nadere uitleg van de genoemde bepalingen uit RL 2006/112:
1. Staan de artikelen 26, lid 1, onder b), 168, onder a), en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een nationale bepaling als artikel 70, lid 1, punt 2, van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (wet inzake de belasting over de toegevoegde waarde) die het recht op aftrek van voorbelasting over diensten voor het bouwen of verbouwen van een aan een derde in eigendom toebehorend onroerend goed, waarbij deze diensten ten behoeve van zowel de dienstontvanger als de derde worden verricht, enkel en alleen beperkt op grond dat de derde het resultaat van deze diensten om niet verkrijgt, zonder dat ermee rekening wordt gehouden dat de diensten voor de economische activiteit van de belastingplichtige dienstontvanger zullen worden gebruikt?
2. Staan de artikelen 26, lid 1, onder b), 168, onder a), en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een belastingpraktijk volgens welke het recht op aftrek van voorbelasting over diensten wordt geweigerd wanneer de uitgaven voor de verrichting ervan werden geboekt als onderdeel van de algemene uitgaven van de belastingplichtige omdat deze diensten werden gebruikt voor het bouwen of verbouwen van een aan een derde in eigendom toebehorend onroerend goed, zonder dat ermee rekening wordt gehouden dat dit onroerend goed ook door de ontvanger van de bouwdiensten voor zijn economische activiteit zal worden gebruikt?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-118/11 EON; C-153/11 Klub
Specifiek beleidsterrein: FIN, EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-154/16 Latvijas dzelzceļš

By | btw, communautair douanewetboek | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: communautair douanewetboek; btw

Deadline: submit your brief by 19 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;
– Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is opdrachtgever voor vervoer per spoor door LET van een oplosmiddel. Tijdens een transport in maart 2011 wordt een lek geconstateerd in één van de tankwagons, waardoor 2448 kg vrachtgoed ontbreekt. Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt. Ook de douaneAut (verweerster) stelt de vermissing vast, maar aangezien de vereiste documenten van het ontbrekende vrachtgoed ontbreken legt zij verzoekster betaling op van douanerechten en btw. Verzoekster maakt bezwaar maar het besluit wordt gehandhaafd, waarna zij zich tot de rechter wendt met verzoek om nietigverklaring. Ook dat verzoek wordt 08-12-2014 afgewezen. Verzoekster stelt dan beroep tot cassatie in. Zij stelt dat ook de vervoerder als schuldenaar moet worden aangewezen (de in jurisprudentie van het HvJEU bepleite hoofdelijke aansprakelijkheid), hetgeen verweerster heeft geweigerd in overweging te nemen. Verweerster stelt dat de ‘aangever’ in de eerste plaats verantwoordelijk is voor ongeschonden aangifte van de goederen, en dat het ontbreken van goederen in alle gevallen leidt tot het ontstaan van een douaneschuld.

De verwijzende LET cassatierechter twijfelt of verweerster zich terecht op artikel 203, lid 1, van het douanewetboek mocht baseren. Dat artikel ziet op onrechtmatige onttrekking en niet zoals in deze zaak speelt op het ontbreken van goederen dat met bewijsstukken is gestaafd. Toepassing van artikel 203 is volgens het HvJEU gerechtvaardigd indien het gevaar bestaat dat de verdwenen goederen in het economisch circuit van de EU terechtkomen. Artikel 206 regelt de gevallen waarin (toch) geen douaneschuld ontstaat bij ontbreken van goederen nadat deze zijn vernietigd of onherstelbaar verloren. Dezelfde vragen betreffen de btw, aangezien die altijd tegelijk met douanerechten wordt geheven. De verwijzende rechter legt ook vragen voor over de door verzoekster gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit jurisprudentie van het HvJEU blijkt hem dat het Hof het veiligstellen van de financiële belangen van de EU voorop stelt en daarom in de eerste plaats de aangever aansprakelijk moet worden gesteld. In het douanewetboek wordt echter ook op de verantwoordelijkheid van andere betrokkenen gewezen. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1) Moet artikel 203, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat het altijd van toepassing is wanneer in het kader van de regeling extern douanevervoer niet alle goederen op het douanekantoor van bestemming worden aangebracht, ook al wordt afdoende aangetoond dat de goederen zijn vernietigd en onherstelbaar verloren zijn gegaan?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, kan het afdoende bewijs dat de goederen vernietigd zijn en, bijgevolg, het feit dat het uitgesloten is dat de goederen in het economisch circuit van de lidstaat terechtkomen, dan een grond vormen voor toepassing van de artikelen 204, lid 1, onder a), en 206 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zodat de goederen die vernietigd zijn terwijl zij zich onder de regeling extern douanevervoer bevonden, buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de douaneschuld?
3) Indien de artikelen 203, lid 1, 204, lid 1, onder a), en 206 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus kunnen worden uitgelegd dat ook over de ten tijde van het extern douanevervoer vernietigde goederen rechten bij invoer worden geheven, kunnen de artikelen 2, lid 1, onder d), 70 en 71 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan aldus worden uitgelegd dat samen met de rechten bij invoer tevens de belasting over de toegevoegde waarde moet worden voldaan, ook wanneer het uitgesloten is dat de goederen feitelijk in het economisch circuit van de lidstaat zijn terechtkomen?
4) Moet artikel 96 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat de aangever altijd aansprakelijk is voor de betaling van die douaneschuld, die in het kader van de regeling extern douanevervoer ontstaat, ongeacht of de vervoerder de krachtens lid 2 van dat artikel 96 op hem rustende verplichtingen is nagekomen?
5) Moeten de artikelen 94, lid 1, 96, lid 1, en 213 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van de lidstaat verplicht is om alle personen hoofdelijk aansprakelijk te stellen die in het concrete geval overeenkomstig het bepaalde in het douanewetboek kunnen worden geacht samen met de aangever tot betaling van de douaneschuld gehouden te zijn?
6) Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt en de wetten van de lidstaat de verplichting tot betaling van de belasting over de toegevoegde waarde bij invoer van goederen doorgaans verbinden aan de procedure voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen, moeten de artikelen 201, 202 en 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat verplicht is alle personen die in het concrete geval overeenkomstig het bepaalde in verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek kunnen worden geacht tot betaling van de douaneschuld gehouden te zijn, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde?
7) Indien het antwoord op de vijfde of de zesde vraag bevestigend luidt, kunnen de artikelen 96, lid 1, en 213 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en de artikelen 201, 202 en 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan aldus worden uitgelegd dat wanneer de douane van de lidstaat ten gevolge van een vergissing geen van de personen die samen met de aangever tot betaling van de douaneschuld gehouden zijn, hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling daarvan, de aangever op deze enkele grond van zijn aansprakelijkheid voor de voldoening van de douaneschuld, kan worden bevrijd?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-273/12 Winston; C-480/12 X (NLHR); C-75/13 SEK Zollagentur
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-164/16 Mercedes Benz Financial Services UK

By | btw, termijnbetalingen | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; termijnbetalingen

Deadline: submit your brief by 26 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster MBFS, dochter van Daimler AG, lanceert op 01-08-2007 voor haar klanten de mogelijkheid voor betaling een keus te maken uit een huurkoop-, een ‘agility’- of een lease overeenkomst. Betaling geschiedt in maandelijkse termijnen aan verzoekster. Bij huurkoop- en ‘agility’ heeft de klant op het einde de optie het voertuig te kopen. Huurkoop betekent dat de klant tevoren heeft besloten het voertuig te kopen, het agility-product is voor de weifelaars. Bij het leaseproduct staat vast dat het om ‘dienstverlening’ gaat.
Verzoekster heeft 20-02-2006 bij de VK belastingAut (verweerster) om een ‘ruling’ gevraagd voor de btw-behandeling van de ‘agility-overeenkomst’. Op grond van een dergelijke overeenkomst vindt geen levering van een goed plaats in de zin van artikel 14, lid 2, onder b) van RL 2006/112. Verweerster beslist 15-06-2006 echter dat het artikel wel van toepassing is, en heeft dit na heroverweging 16-12-2008 bevestigd. Verzoekster stelt 23-12-2008 beroep in tegen de weigering, dat 17-12-2012 wordt verworpen. De eerste zitting in hoger beroep vindt 21-10-2015 plaats.
In de verwijzingsbeschikking worden de (verschillen tussen de) drie overeenkomsten uiteengezet. Verweerster benadrukt dat artikel 14, lid 2, onder b) van RL 2006/112 belastingdiensten niet verplicht een economische analyse uit te voeren van bepaalde aspecten van huurkoopovereenkomsten. Dat zou in strijd zijn met de rechtszekerheid. Overeenkomsten die voorzien in een mogelijkheid van eigendomsovergang middels een laatste betaling moeten op gelijke wijze behandeld worden, en niet met behulp van de door verzoekster voorgestane analyse waarbij wordt nagegaan hoeveel klanten voor welk product kiezen. Zij ziet bovendien geen reden om een ‘Agility’overeenkomst als een dienstverrichting aan te merken omdat het enige verschil met huurkoop is dat bij ‘Agility’ de laatste betaling facultatief is, en bij huurkoop verplicht. Verzoekster stelt dat, gezien de ‘Agility’overeenkomst tot verkoop kán leiden maar evengoed ook niet, deze niet onder artikel 14, lid 2 onder b) valt.

De verwijzende VK-rechter (Hof van Beroep England and Wales) legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Wat betekenen de woorden “een overeenkomt […] volgens welke normaal het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen” in artikel 14, lid 2, onder b)[, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde]?
2. Houdt het woord “normaal”, in het bijzonder in de onderhavige zaak, in dat een belastingdienst alleen hoeft na te gaan of er sprake is van een koopoptie die uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn kan worden uitgeoefend?
3. Of houdt het woord “normaal” in dat de nationale belastingdienst meer moet doen en het economische doel van de overeenkomst moet bepalen?
4. Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord:
a. Moet bij de uitlegging van artikel 14, lid 2, rekening worden gehouden met een analyse waarbij wordt nagegaan of het waarschijnlijk is dat de klant de koopoptie zal uitoefenen?
b. Is de hoogte van de prijs die moet worden betaald bij de uitoefening van de koopoptie relevant om het economische doel van de overeenkomst te bepalen?
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-211/16 Bimotor

By | btw, maximumgrens belastingkrediet, vennootschapsbelasting | No Comments

Regarding: Onderwerp

Keywords: btw; vennootschapsbelasting; maximumgrens belastingkrediet

Deadline: submit your brief by 27 juni 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/38/EG en richtlijn 2006/112/EG

Verzoekster vecht op 16-06-2015 een terugvorderingsbesluit vennootschapsbelasting over 2013 aan bij de provinciale belastingdienst (verweerster). Zij meent over dat jaar aanspraak te kunnen maken op een btw-krediet en heeft het door haar verschuldigde bedrag daarmee verrekend. Het krediet wordt niet betwist maar verzoekster verwijt verweerster dat, toen zij heeft vastgesteld dat de in de wettelijke regeling voorziene terugbetalingsbeperking was overschreden, zij zowel het overschot heeft teruggevorderd als de boete erop heeft toegepast waarin wordt voorzien voor betalingen die niet zijn verricht, waardoor de opgelegde sanctie nog zwaardere is geworden dan in geval van niet-betaling. Verzoekster stelt dat zij meteen maatregelen heeft genomen om de overschrijdingssituatie te regulariseren en eist opschorting van het besluit.

De verwijzende ITA rechter (belastingrechter Torino) acht het stellen van een vraag aan het HvJEU noodzakelijk omdat het besluit gebaseerd is op de ITA wettelijke regel “Vanaf 1 januari 2001 is de maximumgrens van de belastingkredieten en de bijdragen die volgens artikel 17 van decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 241 van 9 juli 1997 kunnen worden verrekend, dan wel kunnen worden terugbetaald aan de houders van een belastingrekening, vastgesteld op 700.000 EUR per kalenderjaar.” Aangezien het hier om een geharmoniseerde belasting gaat moet worden onderzocht of deze bepaling verenigbaar is met het EUrecht. Hij wijst met name op het element van neutraliteit. Vaststelling van een maximum brengt voor ondernemers (tijdelijk) extra financiële lasten met zich die mededingingsverstorende gevolgen kunnen hebben op concurrenten die niet in ITA belasting betalen. Hij stelt het HvJEU de volgende vraag:
“Staat de Unierechtelijke regeling inzake btw (Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/38/EG en richtlijn 2006/112/EG) in de weg aan een nationale regeling – zoals die van artikel 34, lid 1, van wet nr. 388 van 23 december 2000 – krachtens welke de terugbetaling of verrekening van btw-kredieten in een bepaald belastingjaar niet in hun geheel, maar enkel tot een vooraf bepaalde bovengrens zijn toegestaan?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-82/14 Nuova Invincibele; C-277/14 PPUH Stehcamp
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-262/16 Shields & Sons Partnership

By | btw, landbouw | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; landbouw

Deadline: submit your brief by 14 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Verzoekster is een agrarische familieonderneming in Noord-Ierland, actief in de veehouderij. Zij koopt vee van een geaffilieerde onderneming, en na vetmesten worden de dieren aan een slachthuis (ABP) verkocht. Op aanraden van ABP heeft verzoekster in mei 2004 een aanvraag ingediend voor deelname aan de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten (op grond van artikel 296 lid 2 van de btw-richtlijn). De aanvraag wordt toegewezen waardoor verzoekster gerechtigd werd om ABP te factureren voor de prijs van het verkochte vee en daarbovenop betaling te ontvangen van een forfaitair bedrag van 4% van alle verkopen. ABP kon die aanvullende 4% behandelen als voorbelasting en van de belastingdienst (verweerster) dienovereenkomstig teruggave verlangen. In het eerste jaar is er financieel nog geen groot verschil voor verzoekster, maar na dat jaar komt zij tot de conclusie dat het voor haar winstgevender is om alleen met ABP zaken te doen, waarna haar omzet stijgt, mede door de gestegen rundvleesprijzen (zie de tabel in de verwijzingsbeschikking). Na constatering van de verschillen trekt verweerster bij brief van 15-10-2012 het aan verzoekster verleende certificaat voor toepassing van de regeling in. Verzoekster vraagt heroverweging van dat besluit maar dat wordt 21-12-2012 geweigerd. Verzoekster gaat in beroep. In eerste aanleg wordt verzoeksters beroep 08-10-2014 verworpen. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende VK rechter (United Kingdom Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) constateert twee geschilpunten. Allereerst of artikel 296 lid 2 van de btw-RL uitputtend regelt wanneer een landbouwproducent van de regeling kan worden uitgesloten (zoals verzoekster stelt) en zo ja of het besluit van verweerster gerechtvaardigd kan worden op de grond dat verzoekster behoort tot een categorie landbouwproducten in de zin van het artikel. Verweerster stelt met name dat aan het streven naar belastingneutraliteit afbreuk zou worden gedaan indien individuele landbouwproducenten teveel profijt van de regeling zouden hebben.
De toepasselijkheid van artikel 296, lid 2, in deze procedure hangt af van de betekenis van de uitdrukking ‘categorieën landbouwproducenten’. Verzoekster stelt dat verweerster geen categorie (volgens haar een groep of klasse), maar een individuele onderneming heeft uitgesloten. Zij zou daartoe over een discretionaire bevoegdheid moeten beschikken. Verweerster wijst op het antwoord op de vraag (in een btw-mededeling) wanneer een begunstigde geen gebruik meer van de regeling mag maken (antwoord: ‘als blijkt dat u als forfaitair belaste landbouwproducent wezenlijk meer terugkrijgt dan het geval zou zijn indien u op de gebruikelijke wijze voor de btw zou zijn geregistreerd’). Die mededeling heeft weliswaar geen rechtskracht maar geeft weer wat verweerster onder de uit te sluiten categorie verstaat. Verweerster wijst ook nog op haar bevoegdheid uit de btw-Vo om maatregelen te treffen ter bescherming van belastinginkomsten. De verwijzende rechter legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1. Moet artikel 296, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad, dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten zoals vervat in hoofdstuk 2 van titel XII van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarin een uitputtende regeling is neergelegd voor de gevallen waarin een lidstaat een landbouwproducent mag uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten? In het bijzonder wordt het volgende gevraagd:
1.1 Mag een lidstaat landbouwproducenten enkel op grond van artikel 296, lid 2, uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.2 Mag een lidstaat een landbouwproducent ook op grond van artikel 299 uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.3 Heeft een lidstaat op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit de bevoegdheid om een landbouwproducent uit te sluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.4 Zijn lidstaten bevoegd om landbouwproducenten op andere gronden uit te sluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
2. Hoe dient het begrip „categorieën landbouwproducenten” in artikel 296, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG te worden uitgelegd? In het bijzonder wordt gevraagd:
2.1 Moet een concrete categorie landbouwproducenten aan de hand van objectieve kenmerken kunnen worden vastgesteld?
2.2 Kan een concrete categorie landbouwproducenten ook worden vastgesteld aan de hand van economische overwegingen?
2.3 Welke mate van nauwkeurigheid is vereist voor de vaststelling van een categorie landbouwproducenten die een lidstaat heeft willen uitsluiten?
2.4 Is een lidstaat bevoegd om als relevante categorie aan te merken „landbouwproducenten van wie blijkt dat zij als deelnemers aan de forfaitaire regeling wezenlijk meer terugkrijgen dan het geval zou zijn indien zij voor de btw zouden zijn geregistreerd?
Specifiek beleidsterrein: FIN en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-251/16 Cussens ea

By | btw, lease/leasebackconstructie, misbruik van recht | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; lease/leasebackconstructie; misbruik van recht

Deadline: submit your brief by 13 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb 1977, L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 (Pb 1995, L 102, blz. 18)

Verzoekers hebben gezamenlijk een bouwterrein in eigendom waarop zij vijftien vakantiewoningen gebouwd hebben voor de verkoop. Zij passen daarvoor een bijzondere constructie toe van pre-sale transacties: eerst verhuur via een langlopende leaseovereenkomst (dd. 08-03-2002) aan een aan verzoekers verbonden onderneming (Shamrock Estates Ltd – SEL) voor twintig jaar en één maand; SEL verhuurt vervolgens de zaken terug aan verzoekers voor twee jaar (kortlopende leaseovereenkomst dd. 08-03-2002). SEL betaalt de btw voor de langlopende lease, en verzoekers geven dit bedrag op bij de belastingdienst (verweerster). Op 03-04-2002 werden beide leaseovereenkomsten beëindigd waardoor verzoekers weer de volle eigendom verwierven. Daarna volgde verkoop van de woningen. Op grond van de destijds geldende btw-wet 1972 was geen btw over de transacties verschuldigd. Een langlopende lease werd als levering van goederen, een kortlopende lease als levering van diensten aangemerkt. Ook de levering van de onroerende zaken aan de eindgebruikers was hier btw-vrij.
Verweerster heeft in 2004 de aan verzoekers opgelegde aanslagen verhoogd voor btw over de periode januari 2002 – juni 2004. Verzoekers maken bezwaar maar verweerster wijst dat in juli 2005 af. Verzoekers’ beroep bij het Circuit Court wordt in oktober 2006 afgewezen; dat hof achtte de leaseovereenkomsten geen ‘commerciële realiteit’; de pre-sale transacties zijn aangegaan ter verkrijging van btw-voordeel. De zaak wordt door het Circuit Court met rechtsvragen voorgelegd aan het High Court dat 11-06-2008 hetzelfde oordeel velt, verwijzend naar het Halifax-arrest van het HvJEU: arresten van het HvJEU over misbruik zijn algemeen toepasselijk. Verzoekers zijn dan aanbeland bij de verwijzende rechter. Zij stellen met name dat het beginsel misbruik van recht een uitleggingsbeginsel is (geen materieel beginsel) en dat dit in nationale wetgeving moet zijn vastgelegd, hetgeen in 2002 niet het geval was. Het komt er dan op neer dat verweerster de nationale rechter vraagt de btw-wet contra legem uit te leggen, waarbij zij zich baseert op de leer van misbruik. De transacties vonden plaats vier jaar vóór de Halifax-uitspraak en zou ook nog sprake zijn van toepassing met terugwerkende kracht. Daarnaast is aan de door het HvJEU gestelde voorwaarden in Halifax niet voldaan omdat het misbruik niet is aangetoond.
Verweerster stelt dat de lease- en leasebackconstructie een kunstmatig gecreëerde eerste levering vormde en dat een dergelijke constructie misbruik vormt in de zin van de Zesde RL waarmee in lijn met Halifax geen rekening mag worden gehouden bij de beoordeling van de btw-plicht van verzoekers. Het beginsel van misbruik kan direct worden toegepast, het is een erkend algemeen beginsel van EUrecht.

De verwijzende IER rechter (Supreme Court) stelt vast dat het hier niet gaat om al dan niet correcte toepassing van de btw-wet zoals die in 2002 gold. Verweerster heeft op geen enkele (nationale) wettelijke bepaling kunnen wijzen ter ondersteuning van haar stelling dat er in het nationale recht uitleggingsregels bestaan die kunnen worden toegepast ter voorkoming van misbruik en dat de nationale rechters daarom de btw-wet overeenkomstig de Zesde RL en de algemene beginselen van EU-recht kunnen uitleggen. Ook is niet aangevoerd dat sprake is van fraude. De door verweerster gevraagde herdefiniëring van de transacties in de bestreden aanslagen komt in feite neer op het buiten toepassing laten van nationaal recht. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Heeft het beginsel van misbruik van recht, dat in het arrest van het Hof [van Justitie van de Europese Unie van 21 februari 2006] in [Halifax e.a./Commissioners of Customs and Excise, C-255/02, EU:C:2006:121] werd beschouwd van toepassing te zijn op het gebied van de btw, rechtstreekse werking jegens een particulier, wanneer een nationale – wettelijke dan wel gerechtelijke – maatregel, ter uitvoering van dat beginsel ontbreekt, in omstandigheden als de onderhavige, waarin een door de [Revenue] Commissioners voorgestelde herdefiniëring van de pre-sale transacties en de verkooptransacties aan de eindgebruiker (gezamenlijk „transacties van verzoekers” genoemd) ertoe zou leiden dat verzoekers ten aanzien van deze transacties btw-plichtig worden, terwijl ten aanzien van deze transacties geen btw-plicht bestond bij de correcte toepassing
van de nationale regelgeving zoals van toepassing op het tijdstip waarop zij door verzoekers werden verricht?
2. Indien vraag 1 aldus moet worden beantwoord dat het beginsel van misbruik van recht rechtstreekse werking heeft jegens een particulier, zelfs wanneer een nationale – wettelijke dan wel gerechtelijke – maatregel ter uitvoering van dat beginsel ontbreekt, was dat beginsel dan voldoende duidelijk en precies om op de transacties van verzoekers te worden toegepast, nu deze transacties zijn verricht vóór het arrest van het Hof in de zaak Halifax, in het bijzonder gelet op het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen van verzoekers?
3. Indien het beginsel van misbruik van recht op de transacties van verzoekers van toepassing is, zodat deze transacties geherdefinieerd moeten worden:
(a) wat is dan het juridisch mechanisme voor de beoordeling en de inning van btw over de transacties van verzoekers, nu overeenkomstig het nationale recht de btw niet verschuldigd is en niet kan worden vastgesteld en geïnd; en
(b) hoe moet de nationale rechter een dergelijke btw-plicht opleggen?
4. Dient de nationale rechter, bij de beoordeling van de vraag of de transacties door verzoekers werden verricht met de wezenlijke bedoeling een belastingvoordeel te verkrijgen, de pre-sale transacties (waarvan vaststaat dat deze uitsluitend om fiscale redenen werden verricht) afzonderlijk te beoordelen, of moet de doelstelling van de transacties van verzoekers als geheel worden beoordeeld?
5. Dient section 4, lid 9, van de btw-wet te worden aangemerkt als nationale regelgeving ter omzetting van de [Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 (PB 1995, L 102, blz. 18) (“Zesde richtlijn”)], ondanks het feit dat deze bepaling in strijd is met de wettelijke bepaling van artikel 4, lid 3, van de Zesde richtlijn, nu verzoekers bij de juiste toepassing daarvan ten aanzien van de levering van de gebouwen vóór eerste ingebruikneming ervan als belastingplichtigen zouden zijn aangemerkt, ook al heeft er al een eerdere overdracht plaatsgevonden die belastbaar was.
6. Indien section 4, lid 9, [van de btw-wet] in strijd is met de Zesde richtlijn, plegen verzoekers dan, door zich op deze bepaling te beroepen, misbruik van recht in strijd met de beginselen zoals door het Hof erkend in het arrest Halifax?
7. Subsidiair, indien section 4, lid 9, [van de btw-wet] niet in strijd is met de Zesde richtlijn, hebben verzoekers dan een belastingvoordeel verkregen in strijd met het doel van de richtlijn en/of section 4 [van de btw-wet]?
8. Zelfs indien section 4, lid 9, [van de btw-wet] niet geacht moet worden de Zesde richtlijn om te zetten, is het beginsel van misbruik van recht zoals vastgesteld door het Hof in het arrest Halifax dan niettemin van toepassing op de aan de orde zijnde transacties, aan de hand van de door het Hof in het arrest Halifax neergelegde criteria?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-255/02 Halifax
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-493/15 Identi

By | btw, insolventie, kwijtschelding | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; kwijtschelding; insolventie

Deadline: submit your brief by 6 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Deze zaak is eerder geschorst in afwachting van het arrest in C-546/14 Degano Trasporti. Maar het arrest in die zaak (07-04-2016) heeft blijkbaar niet de gehoopte verlichting gebracht.
Verzoekster is beherend vennoot van een failliete ITA vennootschap. Zij maakt bezwaar tegen een btw-oplegging over het jaar 2003. In twee instanties is geoordeeld dat verzoekster de opgelegde bedragen niet verschuldigd is omdat verzoeksters schulden in april 2008 zijn kwijtgescholden. Uit de ITA wetgeving wordt echter niet duidelijk of belastingschulden daaronder begrepen zijn. Evenals in Degano Trasporti is hier de vraag of het verenigbaar is met EU-recht dat btw-vorderingen worden kwijtgescholden. In die zaak ging het echter om het preventieve akkoord, in onderhavige zaak gaat het om insolventie.

De verwijzende ITA rechter (Hof van Cassatie) haalt zaak C-132/06 (CIE-ITA) aan waarin (van belang voor deze zaak) het Hof stelt dat de EULS gehouden zijn nakoming van de op de belastingplichtigen rustende verplichtingen te waarborgen en daarbij beschikken over een zekere bewegingsvrijheid maar dat die bewegingsvrijheid wordt beperkt door de verplichting om de doeltreffende inning van de eigen middelen van de Unie te waarborgen en geen verschillen in behandeling voor belastingplichtigen in de EU in het leven te roepen. Het vereiste van fiscale neutraliteit verzet zich tegen verschillende behandeling. De nationale wetgever heeft de uitputtende lijst van schulden die kunnen worden uitgesloten opgesteld als stimulans om een maatschappelijk nuttig geachte economische activiteit te hervatten. Het HvJEU zal dan ook de vraag worden voorgelegd of de ITA regeling al dan niet in strijd is met de uit het EUrecht voortvloeiende gemeenschapsbeginselen:
“Moeten artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde die bepaalt dat btw-schulden van personen die zijn toegelaten tot de kwijtscheldingsprocedure van de artikelen 142 en 143 Legge fallimentare tenietgaan?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-132/06 CIE|/ITA; C-500/10 Ufficio IVA di Piacenza
Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-246/16 Di Maura

By | btw, neutraliteit, verrekening na faillissement | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; neutraliteit; verrekening na faillissement

Deadline: submit your brief by 21 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

Verzoeker heeft in 2004 een factuur verzonden (EUR 35.000) aan een firma die wegens faillissement niet heeft betaald (uitspraak faillissement 30-11-2004). Op basis van het vonnis heeft verzoeker op 31-12-2004 de maatstaf voor heffing met hetzelfde bedrag verlaagd door wijziging van de originele factuur en door de aftrek van met de wijziging overeenstemmende belastingen. De belastingdienst (verweerster) is het daar echter niet mee eens; verzoeker krijgt een navordering en sancties opgelegd. Verweerster stelt dat volgens de ITA regeling verzoeker in geval van insolventie slechts kan terugvorderen wanneer vaststaat dat geen bedragen meer beschikbaar zijn en de vordering oninbaar is. Verzoeker vraagt nietigverklaring van de naheffing. Hij stelt dat de maatstaf van heffing wegens de lange duur van faillissementsprocedures al bij uitspraak faillietverklaring kan worden verlaagd. Volgens de ITA regeling hoeft de schuldeiser het definitieve verlies niet aan te tonen. Verweerster erkent dit voor wat betreft de inkomsten- en productiebelasting, maar dat geldt niet voor de btw. In de betreffende ITA regeling zijn de woorden ‘de inleiding’ (van de faillissementsprocedure) weggelaten, zodat wel bewijs van tevergeefsheid van de invordering moet worden geleverd.

De verwijzende ITA rechter (Provinciale belastingRb Siracusa) oordeelt dat de ITA regeling onverenigbaar is met de Zesde btw-RL (beginsel van neutraliteit). Hij realiseert zich dat zijn vragen gelijk zijn aan die in zaak C-202/15 H3g. De antwoorden van het HvJEU op die vragen zullen hem zeker van nut zijn maar hij legt de vragen alsnog voor omdat een recente uitspraak van de ITA cassatierechter, waarin de regeling inzake de gevallen waarin de procedure wordt opgeschort, restrictief is uitgelegd, eraan in de weg staat dat hij de procedure opschort tot de uitspraak van het HvJEU over een vraag die door andere partijen is opgeworpen. Daarnaast zijn er twee nieuwe elementen: het gaat hier om RL 77/388 (in C-202/15 om RL 2006/112) en de wijziging van de ITA regeling per 28-11-2015: aftrek van btw wordt toegestaan in geval van niet-betaling van de prijs, en dit vanaf de datum van de opening van de insolventieprocedure (waarbij dit voorschrift evenwel slechts geldt voor de insolventieprocedures die worden ingeleid na 31-12-2016).Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1) Is het – gelet op de artikelen 11 C, lid 1, en 20, lid 1, onder b), tweede zin, van richtlijn 77/388/EEG, waarin het gaat over de verlaging van de maatstaf voor heffing en de herziening van de voor de belaste handelingen in rekening gebrachte btw in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de door partijen vastgestelde tegenprestatie, – in overeenstemming met de in het VWEU verankerde beginselen van evenredigheid en doeltreffendheid en het beginsel van neutraliteit dat de toepassing van btw regelt, dat beperkingen worden gesteld die het de belastingplichtige onmogelijk of uiterst moeilijk maken – ook vanuit temporeel perspectief, gelet op de onvoorspelbare duur van een insolventieprocedure, – om de belasting betreffende de geheel of gedeeltelijk niet-betaalde tegenprestatie terug te vorderen?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is een bepaling als artikel 26, lid 2, van Decreto del presidente della Repubblica n. 633/1972, in de versie die gold voor de wijziging ervan bij artikel 1, leden 126 en 127, van Legge n. 208 van 28 december 2015, die het recht op terugvordering van de belasting ondergeschikt maakt aan de levering van het bewijs dat eerst tevergeefs insolventieprocedures zijn ingesteld, hetgeen volgens de rechtspraak en de praktijk van de belastingdienst van de lidstaat van de Unie betekent dat de terugvordering noodzakelijkerwijs plaatsvindt na de uiteindelijke en geen resultaat opleverende verdeling van de activa, of althans na de definitieve beslissing tot beëindiging van het faillissement, verenigbaar met de bovenstaande beginselen, zulks ook wanneer deze handelingen redelijkerwijs onrendabel zijn gezien het bedrag van de vordering, de vooruitzichten op inning daarvan en de kosten van de insolventieprocedures, en gelet op het feit dat na de opening van het faillissement de vervulling van voormelde voorwaarden jaren op zich kan laten wachten?

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-286/16 Exmitiani

By | btw, loyale samenwerking, rechtszekerheidsbeginsel | No Comments

Regarding:

Keywords: btw; loyale samenwerking; rechtszekerheidsbeginsel

Deadline: submit your brief by 24 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

C-286/16 Exmitiani

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   08 juli 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       24 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   24 augustus 2016

Trefwoorden: btw; loyale samenwerking; rechtszekerheidsbeginsel

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster (reisorganisatie) heeft een naheffing gekregen voor btw en winstbelasting na controle over de periode 01-01-2004 tot en met 30-06-2006 (winstbelasting) en 01-03-2004 tot en met 31-08-2005 (btw). Verweerster (belastingdienst) heeft inbreuken geconstateerd bij de berekening van belastbare winst en btw. Bij de winstbelasting gaat het om de verhuur van een in eigendom van verzoekster zijnde bus (aan Calcar) voor vervoer naar SPA v.v. Verzoekster is bij overeenkomst verantwoordelijk voor alle transportkosten inclusief de chauffeur. Het totaalbedrag daarvoor verwerkt zij in de boekhouding zonder dat zij recht op aftrek heeft. Het recht op aftrek ligt conform de ROE wet bij Calcar. Hierdoor is de basis voor berekening van de winstbelasting volgens verweerster ten onrechte en ten nadele van de Staat verlaagd. Verzoekster start een procedure, maar wordt vanwege de aan de Staat toegebrachte schade ook strafrechtelijk vervolgd. De strafrechter oordeelt dat geen sprake is van schade – deze was inmiddels volledig vergoed.

Voor de verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Cluj) spitst de zaak zich toe op het beginsel van loyale samenwerking en het rechtszekerheidsbeginsel. Het gaat in deze zaak om betalingsverplichtingen die betrekking hebben op een periode die is ingegaan vóór toetreding van ROE tot de EU en bezwaar daartegen ingesteld na de toetreding, alsmede het aspect in verband met de onmogelijkheid om nieuwe excepties van onwettigheid van de bestreden fiscale handelingen rechtstreeks voor de rechter op te werpen, welke onmogelijkheid – indien zij wordt bevestigd – zou gelijkstaan met schending van het beginsel van loyale samenwerking. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1. Vereist het beginsel van loyale samenwerking in een situatie als in het hoofdgeding – waarin de bestreden administratieve handeling vóór de toetreding is vastgesteld, maar het bezwaar tegen die handeling na de toetreding is behandeld bij besluit van een belastingautoriteit – dat de nationale wet wordt uitgelegd in het licht van de Unierichtlijn inzake de btw?

2. Moet het rechtszekerheidsbeginsel, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de praktijk van de belastingautoriteiten waarbij op grond van dezelfde feiten tot andere conclusies wordt gekomen dan de autoriteiten die met betrekking tot de btw-vrijstelling voor diensten die rechtstreeks verband houden met internationaal personenvervoer, belast zijn met de strafvervolging?

3. Moet het beginsel van loyale samenwerking aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale regels volgens welke aan het Unierecht ontleende middelen, indien zij niet zijn aangevoerd in een administratief bezwaar, niet meer voor de rechter kunnen worden aangevoerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN, VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-238/16 X

By | btw, geneesmiddelen | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; geneesmiddelen

Deadline: submit your brief by 21 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster exploiteert bloedafnamecentra. Uit het ‘volbloed’ wordt ongeveer 10% als ‘therapeutisch plasma’ gebruikt; de overige 90% wordt als ‘fractioneringsplasma’ gebruikt als grondstof voor vervaardiging van geneesmiddelen. Zij levert dit plasma aan ondernemingen zowel binnen de EU als daarbuiten (ZWI). Verzoekster trekt in haar btw-aangifte voor deze leveringen (over de jaren 2008 – 2011) de voorbelasting af als vrijgestelde handelingen. Verweerster (belastingdienst) weigert dit toe te staan onder verwijzing naar arrest C-240/05 gezien de vrijstelling van btw voor zowel levering binnen als buiten de EU en dit als bijzonder voorschrift voorrang heeft. Verzoekster stelt in haar beroep dat de levering van fractioneringsplasma geen levering van bloed in de zin van de btw-RL is.

Deze casus lijkt sterk op zaak C-412/15 TMD waarin inmiddels 2 juni (na het indienen van onderhavige zaak) de conclusie AG is genomen: (“Concluderend geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Hessische Finanzgericht (financiële rechtbank, Hesse) als volgt te beantwoorden:

– het woord „bloed” in artikel 132, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, omvat mede de levering van uit menselijk bloed verkregen bloedplasma;

– dat woord omvat bloedplasma dat is bestemd voor de productie van geneesmiddelen.”

De verwijzende DUI rechter ( Finanzgericht Münster) herhaalt de in zaak C-412/15 aan het HvJEU gestelde vragen, maar voegt een vierde vraag toe voor wat betreft de exportleveringen. Mocht het HvJEU beslissen dat de levering van bloedplasma voor vervaardiging van geneesmiddelen onder de vrijstelling van de btw-RL valt dan blijft de vraag hoe de exportleveringen van verzoekster (naar ZWI) behandeld dienen te worden.

1. Moet artikel 132, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd, dat de levering van menselijk bloed ook de levering van uit menselijk bloed gewonnen plasma omvat?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: geldt dit ook voor plasma dat niet rechtstreeks voor therapeutische doeleinden maar uitsluitend voor de vervaardiging van geneesmiddelen bestemd is?

3. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: komt het voor de kwalificatie als bloed slechts aan op het doel waarvoor het plasma is bestemd of ook op de theoretische gebruiksmogelijkheid?

4. Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord: leidt een handeling waarvoor krachtens artikel 132, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn binnen een lidstaat vrijstelling wordt verleend, tot de uitsluiting van het recht op aftrek van voorbelasting als bedoeld in artikel 168 van de btw-richtlijn, ongeacht de btw-regeling die in het derde land van toepassing is, zelfs indien deze handeling een exportlevering betreft waarvoor krachtens artikel 169, onder b), van de btw-richtlijn in samenhang met artikel 146, lid 1, van de btw-richtlijn, aftrek van voorbelasting mogelijk is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-240/05 Eurodental

Specifiek beleidsterrein: FIN, VWS

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-308/16 Kozuba Premium Selection

By | btw, eerste ingebruikneming gebouw | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; eerste ingebruikneming gebouw

Deadline: submit your brief by 4 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb 2006, L 347, blz. 1).

De zaak betreft een gebouw opgericht in 1992 en op 17-09-2005 ingebracht in de vennootschap van verzoekster (toen POLTREX, sinds 2009 onder de huidige naam). In 2006 is het ‘modelwoonhuis’ gemoderniseerd en aangepast aan de behoeften van verzoeksters bedrijf; de kosten bedroegen 55% van de beginwaarde. Op 31-07-2007 is het als zelfstandig vast activum op de inventaris vaste activa van verzoekster opgenomen. Op 15-01-2009 wordt het gebouw inclusief grond verkocht en uitgeboekt. De inkomsten worden niet in de aangifte eerste kwartaal 2009 voor de btw opgenomen omdat het om een gebruikt goed gaat. Verweerster (belastingdienst) is het daar niet mee eens en legt verzoeksters btw-schuld bij besluit van 12-04-2013 vast. Verzoekster gaat in beroep (belastingkamer) maar het besluit wordt 30-07-2013 bevestigd. Zij stelt dan beroep in bij de bestuursrechter die het besluit nietig verklaart (22-05-2014) omdat het niet in zijn geheel kan worden uitgevoerd. Hij constateert schending van procesvoorschriften, maar oordeelt ook dat de belasting terecht is opgelegd. Tegen dat besluit heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

De verwijzende POL rechter (Administratief Hof) moet de vraag beantwoorden of de verkoop in 2009 aan btw onderworpen is. Gaat het om een eerste ingebruikneming in de zin van de POL btw-wet? Hij twijfelt of artikel 135, lid 1, onder j van RL 2006/112 wel juist in POL recht is omgezet voor wat het begrip eerste ingebruikneming betreft (waarvoor RL 2006/112 geen definitie geeft) en het vereiste in de POL wet dat afgifte voor gebruik heeft plaatsgevonden ‘in het kader van de uitvoering van een belastingbare handeling’. In de POL btw-wet wordt afgifte voor gebruik gelijkgesteld met een belastbare handeling (levering of dienst). Gevallen van oprichting (nieuw) of modernisering van een (oud) gebouw in eigen beheer, mede met oogmerk het zelf in gebruik te nemen worden uitgesloten van eerste ingebruikneming. Hij stelt de volgende vraag aan het HvJEU:

“Moet artikel 135, lid 1, onder j), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling [artikel 43, lid 1, punt 10, van de ustawa o podatku od towarów i usług van 11 maart 2004 (Dz. U. nr. 54, poz. 535, zoals gewijzigd)], volgens welke de levering van een gebouw, bouwwerk of gedeelte ervan is vrijgesteld, met uitzondering van de volgende gevallen:

a) de levering vindt plaats in het kader van de eerste ingebruikneming of ervoor;

b) tussen de eerste ingebruikneming en de levering van een gebouw, bouwwerk of gedeelte ervan is minder dan twee jaar verstreken voor zover artikel 2, punt 14, van de ustawa o podatku od towarów i usług de ingebruikneming definieert als afgifte voor gebruik, in het kader van de uitvoering van belastbare handelingen, aan de eerste verwerver of gebruiker van een gebouw, bouwwerk of gedeelte ervan, nadat dat is:

a) opgericht of

b) verbeterd, als de uitgaven voor de verbetering, in de zin van de bepalingen over de inkomstenbelasting, ten minste 30 % van de beginwaarde bedroegen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-461/08 Don Bosco Onroerend Goed; C-326/11 J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaard; C-139/12 Caixa d¿Estalvis i Pensions de Barcelona; C-92/13 Gemeente ‘s-Hertogenbosch

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-273/16 Federal Express Europe

By | btw, douanevrijstellingen, goederen van geringe waarde | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; douanevrijstellingen; goederen van geringe waarde

Deadline: submit your brief by 1 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen;

– Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb L 145, blz 1) (Zesde BTW-RL);

– Richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d), van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen;

– Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Verzoekster is onderdeel van de multinationale groep FedEx. Zij heeft na belastingcontrole (2008) vier aanslagen ontvangen voor verrichte diensten in verband met ‘inbound’ transport (zij neemt zendingen uit het buitenland in ontvangst en levert die af op ITA grondgebied). Zij vecht met name een aanvullende btw-aanslag aan die haar is opgelegd aangezien zij de tegenprestatie voor vervoer naar de geadresseerde van goederen en/of documenten van ‘geringe waarde’ (= minder dan EUR 22) niet aan btw heeft onderworpen. Voor deze zendingen wordt bij invoer geen belasting geheven – vrijstelling volgens Vo. 918/83 en de zendingen zijn niet aan btw onderworpen volgens ITA regeling. Verweerster (belastingdienst) legt de ITA regelgeving echter zo uit dat deze (enkel) tot doel heeft dubbele belasting te vermijden. De zendingen zijn alleen dan niet aan belasting onderworpen wanneer bij invoer al btw is betaald. Verzoekster start een procedure en wordt door de provinciale belastingrechter 27-03-2013 in het gelijk gesteld; deze uitspraak is 28-05-2014 bevestigd door de regionale belastingrechter. Verweerster gaat in cassatie. Zij bestrijdt dat sprake is van internationaal vervoer omdat verzoekster alleen het aansluitende binnenlandse vervoer regelt en dat het geen verbonden of accessoire dienst betreft. De aansluitende dienst wordt immers door een ander verricht. Verzoekster stelt strijd met EUrecht en verzoekt de rechter om het HvJEU een vraag voor te leggen.

De verwijzende ITA rechter (Hof van Cassatie) stelt vast dat naar aanleiding van een in 2012 gestarte ingebrekestellingsprocedure de ITA wetgeving is aangepast, maar de nieuwe regelgeving is ratione temporis niet op onderhavige zaak van toepassing. Hij zal moeten onderzoeken of met de betreffende diensten (binnenlands vervoer) ingevolge het territorialiteitsbeginsel de gewone onderwerping aan btw weer gaat gelden of dat het feit dat die diensten accessoir zijn – in de veronderstelling dat dit het geval is – tot gevolg heeft dat de diensten niet aan btw zijn onderworpen op dezelfde gronden als de gronden waarop de invoer van de goederen waarop zij betrekking hebben zijn vrijgesteld. Om die vraag te kunnen beantwoorden legt hij de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Kan artikel 144, juncto artikel 86, lid 1, lid, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 (die overeenstemmen met de artikelen 14, leden 1 en 2, en 11, B, lid 3, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977) aldus worden uitgelegd dat de enige voorwaarde die geldt opdat verbonden handelingen bestaande in diensten op het gebied van intern vervoer („inbound”) – van de luchthavens naar de plaats van bestemming op het grondgebied van de lidstaat, met het beding „franco plaats van bestemming” – niet aan btw zijn onderworpen, erin bestaat dat de waarde ervan in de maatstaf van heffing is begrepen, ongeacht of bij de invoer van de goederen daadwerkelijk belasting bij de douane wordt geheven?

Is het dan ook onverenigbaar met bovenvermelde communautaire bepalingen wanneer de interne voorschriften van artikel 9, eerste alinea, punt 2, juncto artikel 69, lid 1, van decreet nr. 633 van de president van de Republiek van 26 oktober 1972, in de destijds in de tijd toepasselijke versie, aldus worden uitgelegd dat in alle gevallen, en dus ook in geval van niet aan btw onderworpen importen – zoals in het onderhavige geval, waarin het gaat om documenten en voorwerpen van geringe waarde – de nadere voorwaarde van daadwerkelijke onderwerping aan btw (en de effectieve betaling van de belasting bij de douane) bij de invoer van de goederen vervuld moet zijn, een en ander in voorkomend geval mede in aanmerking genomen dat de vervoersdiensten bijkomend zijn in verhouding tot de hoofddiensten (invoer) en dat vereenvoudiging de aan beide verrichtingen ten grondslag ratio is?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-303/16 Solar Electric Martinique

By | btw | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw

Deadline: submit your brief by 30 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb L 145, blz 1) (Zesde BTW-RL)

Verzoekster is actief op het gebied van verkoop en installatie van zonne-energiegerelateerde toestellen in Martinique. Zij rekent slechts btw over de installatiekosten. Na controle over de periode 01-01-2005 t/m 31-12-2007 oordeelt verweerster (belastingdienst) dat het om ‘werken in onroerende staat’ gaat, zodat ook de kosten van het geleverde materiaal in aanmerking moesten worden genomen. Verzoekster ontvangt een gecorrigeerde aanslag; tegen dat besluit start verzoekster een procedure. De Rb wijst 26-06-2012 haar verzoek tot vaststelling dat zij de gecorrigeerde aanslag niet verschuldigd is af, in beroep wordt dit oordeel bevestigd (10-07-2014). De zaak ligt nu voor bij de Raad van State.

De verwijzende FRA RvS stelt vast dat in het FRA algemene belastingwetboek in bepaalde gevallen voor (onder meer) Martinique vrijstellingen van btw zijn opgenomen, gespecificeerd als “lichtgevoelige halfgeleiderelementen, daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen” zodat slechts btw over de installatiekosten hoeft te worden berekend, met als uitzondering dat materiaalkosten wel moeten worden belast indien sprake is van ‘werken in onroerende staat’. Het betreffende artikel geldt alleen voor de FRA overzeese gebiedsdelen en valt dus ook buiten het territoriale toepassingsgebied van de Zesde RL, maar de bepaling over ‘werken in onroerende staat’ geldt ook voor het FRA moederland en die gaat over omzetting van de Zesde btw-RL, zodat uniforme uitleg noodzakelijk is. De verwijzende rechter heeft dan ook antwoord nodig van het HvJEU op de vraag

“of de verkoop van fotovoltaïsche panelen en zonneboilers en de installatie daarvan op onroerende goederen of teneinde onroerende goederen van elektriciteit of warm water te voorzien, kunnen worden beschouwd als één enkele handeling betreffende werken in onroerende staat in de zin van artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, thans artikel 14, lid 3, en artikel 24, lid 1, van de richtlijn van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-288/16 L C

By | btw, vrijstellingen | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; vrijstellingen

Deadline: submit your brief by 24 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoeker is een eenmansbedrijf. De zaak betreft doorvoertransporten van Riga/LET naar Wit-Rusland die plaatsvinden met vervoermiddelen van ‘Atek’ en door verzoeker van Atek zijn gehuurd. Atek sluit overeenkomsten met de afzenders en zij staat als vervoerder vermeld op de vrachtbrieven. Atek sluit met verzoeker overeenkomsten van opdracht om het daadwerkelijke transport (douane, brandstof, reparaties enz) en de zorg voor de voertuigen uit te voeren. Verzoeker draagt aldus de verantwoordelijkheid als chauffeur voor het vervoer maar kan naar LET recht niet als vervoerder worden aangemerkt omdat zij daarvoor niet de nodige vergunningen heeft. Omdat de verrichte diensten betrekking hebben op vervoer rekent verzoeker wel een btw-tarief van 0%. Na inspectie door de belastingdienst (verweerster) krijgt verzoeker (periode januari 2008 – december 2010) een naheffing opgelegd omdat verzoeker geen aanspraak op het 0%-tarief kan maken. Zijn diensten kunnen op grond van de wettelijke regelingen niet worden gelijkgesteld met diensten van expediteurs en logistieke dienstverleners daar er geen juridisch verband bestaat tussen de ondernemer en de afzender of ontvanger van de goederen. Zij kan evenmin als vervoerder in de zin van de wet op het wegvervoer worden beschouwd wegens het ontbreken van een vergunning daarvoor. Verzoeker start een procedure. Zijn beroep wordt bij de bestuursrechter ongegrond verklaard (11-12-2012). Zijn hoger beroep wordt gedeeltelijk toegewezen, maar voor het hier relevante deel eveneens ongegrond verklaard (29-05-2014) wegens de ontbrekende vergunning en het bovengenoemde ontbrekende juridische verband. Verweerster mocht er terecht van uitgaan dat verzoeker slechts diensten als chauffeur verrichtte, waarvoor een btw-tarief van 21% geldt. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij wijst er daarbij op dat in de LET btw-wet het begrip ‘chauffeur’ of ‘chauffeursdiensten’ niet wordt gebruikt en dat in een besluit is bepaald dat de btw-wet ook van toepassing is op vervoerdiensten (enz).

De verwijzende LET rechter (afdeling bestuursgeschillen Hooggerechtshof) haalt artikel 146, lid 1, onder e) van de btw-RL aan waarin is bepaald dat vrijstelling wordt verleend voor diensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer of invoer van goederen. Uit de RL blijkt niet wat met het rechtstreekse verband wordt beoogd. De vrijstelling is een uitzondering, dus strikte uitleg is vereist. Hij wijst op arrest C-445/05 waarin sprake was van een ontbrekend juridisch verband. Verzoeker heeft gewezen op zijn overeenkomst met Atek waarmee hij heeft voldaan aan de in het aanvullende besluit gestelde voorwaarde. De rechter vraagt zich af of het hier bestaande economische en financiële verband voldoende is om de vrijstelling in de btw-RL werking te geven. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

(1) Moet artikel 146, lid 1, onder e), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat slechts vrijstelling wordt verleend wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger of afzender van de goederen sprake is van een rechtstreeks juridisch verband of een onderlinge contractuele relatie?

(2) Aan welke criteria moet het in die bepaling genoemde rechtstreeks verband voldoen zodat een met de invoer of uitvoer van goederen verband houdende dienst wordt vrijgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-445/05 Haderer

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-307/16 Pieńkowski

By | btw, nultarief bij verkoop aan reizigers | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; nultarief bij verkoop aan reizigers

Deadline: submit your brief by 18 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb 2006, L 347, blz. 1).

 

Verzoeker handelt onder meer in telecommunicatieapparatuur ( naar ik aanneem op een luchthaven). Belastingdienst (verweerster) heeft in 2006 schriftelijk aan verzoeker bevestigd dat hij verkoper is in de zin van de POL btw-wet. Verzoeker registreert zijn omzet en houdt de bedragen aan verschuldigde belasting bij. De zaak gaat over de aangiften 2009 en 2010. Over die jaren heeft verzoeker geen gegevens overgelegd over een eventuele overeenkomst met een marktdeelnemer die gerechtigd is tot belastingteruggaaf. Hij (of een medewerkster) betaalde zelf de btw terug aan de reizigers of hanteerde het 0%-tarief. Verweerster stelt vast dat verzoeker niet gerechtigd was de btw meteen terug te betalen (of het 0%-tarief toe te passen).Verzoeker start een procedure waarin hij stelt dat de in de POL wet gestelde voorwaarde dat (onmiddellijke) teruggaaf van btw aan reizigers afhankelijk is gesteld van een minimumomzet in het voorafgaande belastingjaar (welke drempel hij niet heeft gehaald) een administratieve belemmering vormt en marktdeelnemers met een grotere activiteit bevoordeelt. De rechter in eerste aanleg verwerpt zijn beroep omdat verzoeker de genoemde wettelijke omzetdrempel niet heeft gehaald. Het gaat om een materiële voorwaarde en hij ziet dit niet als administratieve belemmering. Hij benadrukt dat de verplichting de bovengenoemde omzet te behalen niet absoluut is, maar enkel bewerkt dat een verkoper die deze drempel in het voorafgaande belastingjaar niet heeft behaald en wil profiteren van het 0%-tarief, de btw moet teruggeven via een marktdeelnemer wiens activiteit bestaat in de verrichting van teruggaaf. Verzoeker gaat in cassatie.

 

De verwijzende POL rechter (hoogste bestuursrechter) stelt vast dat het model van belastingheffing (belasten van goederen op de plaats van bestemming) ook geldt voor goederen die meegaan in de persoonlijke bagage van reizigers naar buiten het EU-grondgebied. Hiervoor geldt dan ook het 0%-tarief. In de RL zijn geen voorwaarden gesteld zoals in de POL btw-wet. De vrijstellingsvoorwaarden in de RL richten zich op de afnemer, niet op de verkoper. Het HvJEU heeft in diverse jurisprudentie de betekenis bepaald van het begrip ‘verzonden’ (voorwaarde voor vrijstelling). De verwijzende rechter beziet of sprake is van een rechtvaardiging (waarborgen juiste inning en voorkomen van fraude): de EULS hebben een beoordelingsmarge maar zoals het HvJEU verschillende malen heeft bepaald mogen maatregelen niet verder gaan dan noodzakelijk. Om te kunnen beoordelen of de POL bepaling over de minimumomzet verenigbaar is met de btw-RL legt hij het HvJEU de volgende vraag voor:

“Moeten artikel 146, lid 1, onder b), en de artikelen 147, 131 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (omissis) aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale regelingen die de toepassing van de vrijstelling uitsluiten jegens een belastingplichtige die niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde omzetdrempel heeft behaald noch een overeenkomst heeft gesloten met een marktdeelnemer die gerechtigd is reizigers de btw terug te geven?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-409/04 Teleos e.a.; C-285/09 R; C-385/09 Nidera; C-438/09 Dankowski, C-273/11 Mecsek-Gabona; C-527/11 Ablessio; C-563/12 BDV Hungary Trading.

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-305/16 Avon Cosmetics

By | belastingontwijking, btw, neutraliteitsbeginsel, verstoring mededinging | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; belastingontwijking; neutraliteitsbeginsel; verstoring mededinging

Deadline: submit your brief by 12 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: -richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb 1977, L 145, blz. 1);

– richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb 2006, L 347, blz. 1);

– Beschikking 89/534/EEG van de Raad van 24 mei 1989 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd om ten aanzien van bepaalde leveranties aan nietbelastingplichtige wederverkopers een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 11, punt A, 1, onder a), van de Zesde richtlijn (…);

– Beschikking 1999/82/EG van de Raad van 18 januari 1999 waarbij de Portugese Republiek gemachtigd wordt tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21, lid 1, onder a), en artikel 22 van de Zesde richtlijn (…), verlengd bij beschikkingen 2004/738/EG en 2010/39/EU van de Raad.

Verzoekster is in VK één van de grootste producenten en directe verkopers van cosmetica en aanverwante producten. Het model voor directe verkoop in VK is doorgaans dat btw-plichtige verkopers producten verkopen tegen een verminderde prijs (een groothandelsprijs) aan niet-btw-plichtige vertegenwoordigers, die daarop de producten aan eindgebruikers wederverkopen tegen een opgewaardeerde prijs zonder dat bijkomend btw in rekening wordt gebracht over de detailverkoopmarge. Dit systeem werd gebruikt vóór invoer van het btw-stelsel in het VK en verzoekster gebruikt het nog steeds. Zij verkoopt al haar producten onder het merk ‘Avon’ aan haar (vele) vertegenwoordigers (‘de dames van Avon’, met wie zij een overeenkomst sluit), tegen een ‘verminderde’ prijs en zij verwacht van die vertegenwoordigers dat zij het product doorverkopen voor de in haar verkoopbrochures aangeduide prijs, maar dit is niet contractueel verplicht. De meeste doorverkopers zijn niet voor btw geregistreerd. Velen zijn vertegenwoordiger geworden om voor eigen gebruik producten tegen de verminderde prijs aan te kopen.

In 1985 heeft VK machtiging gekregen om (voor twee jaar) een afwijking in te voeren op grond van artikel 27.1 van de Zesde btw-RL (nu artikel 395.2 van RL 2006/112). Op basis daarvan probeerde VK btw terug te krijgen die verloren was gegaan doordat een btw-plichtige verkoper via niet-btw-plichtige vertegenwoordigers producten in detailverkoop aan de man bracht. In 1989 is een permanente afwijking gevraagd en gekregen. De belastingdienst (verweerster) heeft op 27-06-1985 aan verzoekster een schriftelijke instructie gezonden om de nieuwe regeling onder haar aandacht te brengen. Verzoekster is een procedure gestart omdat verweerster in de nieuwe methode geen rekening houdt met de kosten die niet-btw-plichtige vertegenwoordigers voor hun verkoopactiviteiten maken. De btw-bedragen die niet kunnen worden verrekend komen voor haar rekening. De kosten waar het om gaat zijn die voor demonstratieartikelen die zij aan haar vertegenwoordigers (met grote korting) verkoopt (en niet cadeau geeft omdat zij de kans dan groter acht dat de artikelen worden gebruikt waarvoor zij bedoeld zijn). De discussie over deze kosten loopt al sinds 1973 toen verzoekster dit onder de aandacht van verweerster bracht (maar ook nadat verweerster de afwijkingen had gevraagd en gekregen is er niets veranderd). Aangetoond is dat circa 50% van de demonstratieartikelen voor hun doel worden gebruikt. Verzoekster stelt dat verweerster door het afzien van een aanpassing meer btw bij verzoekster int dan zij verschuldigd is (btw over het eindverbruik), hetgeen in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit. Zij stelt ook ongelijke behandeling omdat door haar verkoopmethode btw blijft ‘kleven’ op de demonstratieartikelen. Verder verwijt zij dat het VK heeft nagelaten aan de EURCIE alle nodige gegevens te verstrekken conform artikel 27.2 van RL 77/388 (dan wel artikel 395.2 van RL 2006/112). Verweerster wijst met name op het doel van de regeling: het voorkomen van belastingontwijking.

De verwijzende VK rechter ( First-tier Tribunal – Tax Chamber) heeft geoordeeld dat de kosten die vertegenwoordigers maken rechtmatig als bedrijfskosten zijn aangemerkt zodat de voorbelasting aftrekbaar is (en verzoeksters btw-schuld aanzienlijk vermindert). De door verweerster verkregen afwijking gaat verder dan noodzakelijk om het doel (vermijden belastingontwijking) te bereiken. Om tot een eindoordeel te kunnen komen roept hij de hulp in van het HvJEU en legt de volgende vragen voor:

1. Wanneer een directe verkoper goederen (“hulpmateriaal voor de verkoop”) verkoopt aan niet-btw-plichtige wederverkopers of de niet-btw-plichtige wederverkoper goederen en diensten betrekt van derden (“goederen en diensten van derden”), die in beide gevallen door de niet-btw-plichtige wederverkopers worden gebruikt als hulpmiddel bij de uitoefening van hun economische activiteit bestaande in de verkoop van andere goederen die ook van de directe verkoper worden aangekocht en waarvoor een administratieve regeling is uitgevaardigd krachtens een afwijking die laatstelijk is toegestaan bij beschikking 89/534/EEG van de Raad van 24 mei 1989 (“afwijking”), leveren de toepasselijke machtigingen, uitvoeringswetgeving en/of administratieve regelingen dan schending op van enig toepasselijk voorschrift en/of beginsel van het Unierecht, voor zover daarin wordt voorgeschreven dat de door de directe verkoper verschuldigde btw in een later stadium wordt berekend op basis van de verkoopprijs die de niet-btw-plichtige wederverkopers aanrekenen voor de andere goederen, zonder dat de door de niet-btw-plichtige wederverkoper gedragen btw over het hulpmateriaal voor de verkoop en/of de goederen en diensten van derden in mindering wordt gebracht?

2. Was het Verenigd Koninkrijk, bij zijn verzoek om een machtiging van de Raad voor de afwijking, verplicht de Commissie ervan op de hoogte te brengen dat niet-btw-plichtige wederverkopers btw betaalden over aankopen van hulpmateriaal voor de verkoop en/of goederen en diensten van derden die werden gebruikt voor de uitoefening van hun economische activiteit, en dat bijgevolg in de afwijking een aanpassing moest worden gemaakt om rekening te houden met deze niet-recupereerbare voorbelasting, of te veel betaalde btw in een later stadium?

3. Indien de eerste en/of de tweede vraag bevestigend moet (moeten) worden beantwoord:

(a) kan en moet dan een van de toepasselijke machtigingen, de uitvoeringswetgeving of de administratieve regelingen aldus worden uitgelegd dat rekening moet worden gehouden met ofwel

(i) niet-recupereerbare btw over hulpmateriaal voor de verkoop of goederen en diensten van derden die ten laste is van niet-btw-plichtige wederverkopers die dat hulpmateriaal of deze goederen en diensten gebruiken voor de uitoefening van hun economische activiteit, ofwel

(ii) door Her Majesty’s Revenue & Customs bovenop de ontweken belasting geïnde btw, ofwel

(iii) eventuele oneerlijke mededinging die ontstaat tussen directe verkopers, hun niet-btw-plichtige wederverkopers en ondernemingen die geen directe verkopers zijn?

(b) is dientengevolge

(i) de aan het Verenigd Koninkrijk verleende machtiging om af te wijken van artikel 11, A, lid 1, onder a), van richtlijn 77/388 onrechtmatig?

(ii) een afwijking van artikel 17 van [richtlijn 77/388] noodzakelijk samen met de afwijking van artikel 11, A, lid 1, onder a)? Zo ja, heeft het Verenigd Koninkrijk dan onrechtmatig gehandeld door de Commissie of de Raad niet te verzoeken om een machtiging om af te wijken van dat artikel 17?

(iii) sprake van enige onrechtmatigheid doordat het Verenigd Koninkrijk de btw niet aldus beheert dat het voor directe verkopers mogelijk is aanspraak te maken op een tegoed voor de btw die niet-btw-plichtige wederverkopers bij de uitoefening van hun economische activiteit hebben betaald over ofwel hulpmateriaal voor de verkoop ofwel goederen en diensten van derden?

(iv) het geheel of een deel van de toepasselijke machtigingen tot uitvoering van wetgeving of administratieve regelingen ongeldig en/of onrechtmatig?

(c) bestaat passend herstel, vanwege het Hof van Justitie van de Europese Unie of de nationale rechter, dan in

(i) een instructie dat de lidstaat in nationaal recht de afwijking aldus ten uitvoer legt dat een adequate aanpassing wordt doorgevoerd voor (a) niet-recupereerbare btw over hulpmateriaal voor de verkoop of goederen en diensten van derden die ten laste is van niet-btw-plichtige wederverkopers die dat hulpmateriaal of deze goederen en diensten gebruiken voor de uitoefening van hun economische  activiteit, of

(b) door Her Majesty’s Revenue & Customs bovenop de ontweken belasting geïnde btw, of

(c) eventuele oneerlijke mededinging die ontstaat tussen directe verkopers, hun niet-btw-plichtige wederverkopers en ondernemingen die niet in de directe verkoop actief zijn, ofwel

(ii) een verklaring dat de machtiging voor de afwijking, en bij uitbreiding de afwijking zelf, ongeldig is, ofwel

(iii) een verklaring dat de nationale wetgeving ongeldig is, ofwel

(iv) een verklaring dat de schriftelijke instructie ongeldig is, ofwel

(v) een verklaring dat het Verenigd Koninkrijk verplicht is te verzoeken om een machtiging voor een andere afwijking teneinde een adequate aanpassing door te voeren voor

(a) niet-recupereerbare btw over hulpmateriaal voor de verkoop of goederen en diensten van derden die ten laste is van niet-btw-plichtige wederverkopers die dat hulpmateriaal of deze goederen en diensten gebruiken voor de uitoefening van hun economische activiteit, of

(b) door Her Majesty’s Revenue & Customs bovenop de ontweken belasting geïnde btw, of

(c) eventuele oneerlijke mededinging die ontstaat tussen directe verkopers, hun niet-btwplichtige wederverkopers en ondernemingen die niet in de directe verkoop actief zijn?

4. Moet op grond van artikel 27 van [richtlijn 77/388] (artikel 395 van [richtlijn 2006/112]) het bedrag aan „belastingfraude of -ontwijking” worden vastgesteld aan de hand van het door de lidstaat geleden nettoverlies aan belasting (rekening houdend met zowel de belasting in een later stadium die is betaald als de voorbelasting die recupereerbaar is in de structuur die leidt tot belastingfraude of -ontwijking) of het door de lidstaat geleden brutoverlies aan belasting (rekening houdend met alleen de belasting in een later stadium die is betaald in de structuur die leidt tot belastingfraude of -ontwijking)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-363/05 JP Morgan; C-309/06 Marks & Spencer;

Specifiek beleidsterrein: FIN en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-254/16 Glencore Grain Hungary

By | boetes, btw, fiscale neutraliteit, termijn terugbetaling | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; fiscale neutraliteit; termijn terugbetaling; boetes

Deadline: submit your brief by 8 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Verzoekster vraagt in haar btw-aangifte van september 2011 om terugbetaling van btw. Zij ontvangt slechts een gedeelte en maakt later bezwaar tegen het niet ontvangen van vertragingsrente waarop zij meent recht te hebben (over de periode 04-12-2001 – 13-11-2013). Verweerster (belastingdienst) heeft alvorens tot terugbetaling over te gaan controles bij verzoekster verricht. Omdat verzoekster niet tijdig documenten kon overleggen is haar driemaal een geldboete opgelegd. Na afloop concludeerde verweerster dat verzoekster vanwege de vertraging in het overleggen van documenten geen recht op rente had. Verzoekster gaat in beroep tegen dat besluit. Zij stelt dat de door verweerster toegepaste procedure niet verenigbaar is met de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid en in strijd met doeltreffendheids- en rechtszekerheidsbeginsel. De verplichting tot terugbetaling is een objectieve verplichting die niet kan worden beïnvloed door het subjectieve gedrag van de belastingplichtige. Zij wijst op jurisprudentie van het HvJEU waarin het Hof strijd met het gemeenschappelijk stelsel heeft geconstateerd bij verlenging van de termijn voor terugbetaling. Recht op rente ontstaat na het verstrijken van de termijn van 45 dagen maar verzoekster heeft bijna twee jaar moeten wachten. De controle heeft zolang geduurd omdat die gedeeltelijk in het buitenland moest plaatsvinden. Verzoekster kreeg verzuimboetes opgelegd omdat zij niet aan de door verweerster gestelde termijn van drie werkdagen voor het overleggen van een groot aantal gegevens kon voldoen. Verweerster stelt dat geen sprake is van tardieve betaling omdat zij meent dat de termijn voor terugbetaling begint te lopen vanaf de kennisgeving van het proces-verbaal van de inspectie. Zij blijft bij haar mening dat verzoekster de controle heeft belemmerd en dat dit, ook volgens jurisprudentie van het HvJEU leidt tot verlenging van de terugbetalingstermijn.

De verwijzende HON rechter (bestuurs- en arbeidsrechter Budapest) oordeelt dat uit de jurisprudentie van het HvJEU duidelijk blijkt dat het neutraliteitsbeginsel uitsluit dat EULS aan terugbetaling van btw-overschotten voorwaarden stellen en dat de belastingplichtige recht op vertragingsrente heeft indien sprake is van het overschrijden van een redelijke termijn. Hij heeft echter onvoldoende aanwijzingen welke gevolgen moeten worden verbonden aan de door verweerster opgelegde boetes wegens niet nakoming. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moet artikel 183 van richtlijn 2006/112 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de termijn voor de terugbetaling van het btw-overschot wordt verlengd tot de dag van de afgifte van het proces-verbaal van de inspectie, indien in het kader van de fiscale controleprocedure die is ingesteld binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek tot terugbetaling, aan de belastingplichtige een verzuimboete wordt opgelegd?

2. Verzet artikel 183 van de btw-richtlijn zich, gelet op het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel, tegen een nationale wettelijke regeling die in geval van te late terugbetaling van een bedrag de betaling van vertragingsrente uitsluit indien de belastingadministratie in het kader van de controle die met het oog op deze terugbetaling geschiedt, de belastingplichtige op grond van zijn samenwerkingsplicht een sanctie heeft opgelegd, ook al heeft de controle, die meerdere jaren heeft geduurd, aangesleept om redenen die niet hoofdzakelijk toe te rekenen zijn aan de belastingplichtige?

3. Moeten artikel 183 van richtlijn 2006/112 en het beginsel van doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat het verzoek tot betaling van rente dat verband houdt met belastingen die in strijd met het recht van de Unie zijn ingehouden of niet zijn terugbetaald, een subjectief recht is dat rechtstreeks voortvloeit uit het recht van de Unie zelf, zodat de schending van het Unierecht volstaat om voor de rechterlijke en andere instanties van de lidstaten aanspraak te kunnen maken op rente?

4. Indien de verwijzende rechter, rekening houdend met de antwoorden op de vorige vragen, in het hoofdgeding vaststelt dat de nationale wettelijke regeling in strijd is met artikel 183 van de btw-richtlijn, handelt hij dan in overeenstemming met het Unierecht indien hij de in de nationale administratieve besluiten vervatte weigering om vertragingsrente te betalen in strijd acht met deze bepaling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-25/07 Sosnowska; C-107/10 Enel Maritsa Iztok 3; C-274/10 CIE/HON; C-525/11 Mednis; C-565/11 Irimie; C-431/12 SC Rafinaria Steaua Româna

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-392/16 (X)

By | btw, evenredigheidsbeginsel, verleggingsregeling | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; verleggingsregeling; evenredigheidsbeginsel

Deadline: submit your brief by 15 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 145, blz. 1);

– richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1).

Verzoeker heeft tussen 11-08-2005 en 31-12-2009 35 onroerendgoedtransacties verricht met betrekking tot grond en huizen waarvan hij eigenaar is, zowel als natuurlijk persoon als als rechtspersoon, zonder btw te (ver)rekenen. Na controle door de belastingdienst (verweerster) stelt deze vast dat verzoeker, gezien zijn economische activiteiten, belastingplichtig is voor zeven koop- en verkoopovereenkomsten van percelen land, afgesloten met ROE btw-plichtige rechtspersonen in de jaren 2006 en 2007. Verzoeker krijgt per 29-09-2010 een naheffing + vertragingsrente over alle sinds 01-02-2006 verrichte onroerendgoedtransacties. Tegen dat besluit komt hij op; hij stelt dat indien de ROEaut hem met terugwerkende kracht vanaf februari 2006 als belastingplichtige aanmerkt hij ook recht heeft op toepassing van de verleggingsregeling die op het moment van zijn verrichtingen in de ROE belastingwetgeving was voorgeschreven voor transacties met percelen grond. Dat hij zich niet voor btw-doeleinden geregistreerd had ziet hij als formele voorwaarde die voor bewijs kan zorgen maar niet geldt als erkenning van het recht als zodanig. Verwijzend naar het arrest van het HvJEU in zaak C-183/14 stelt hij dat een buiten termijn verrichte registratie evenmin kan afdoen aan het recht om voor de verleggingsregeling in aanmerking te komen. Hij is al gestraft door de opgelegde vertragingsrente waardoor weigering van de verleggingsregeling disproportioneel zou zijn. Verweerster stelt dat verzoeker door zich niet als btw-plichtige te registreren niet heeft voldaan aan de eisen om voor de verleggingsregeling in aanmerking te komen

De verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Boekarest) stelt vast dat de ROE wetgever niet heeft voorzien in de voorwaarden voor toepassing van de verleggingsregeling in een situatie als onderhavige. In arrest C-183/14 heeft het HvJEU geoordeeld dat de verplichte registratie voor btw-doeleinden een formele en geen materiële voorwaarde vormt om het recht op aftrek van voorbelasting te kunnen doen gelden. Hij vraagt zich dan ook af of het ontbreken van een btw-registratienummer, op het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, nog steeds een louter formeel vereiste vormt voor de toepassing van de maatregelen tot vereenvoudiging van de belastingheffing, dan wel een materiële voorwaarde is geworden, aangezien het ontbreken van de registratie voor btw-doeleinden zonder meer heeft geleid tot de niet-toepassing van de verleggingsregeling. Hij haalt ook het arrest C-385/09 aan waarin het HvJEU oordeelde het feit dat een registratie voor btw-doeleinden buiten de gestelde termijn is geschied, enkel tot oplegging van geldboeten en bestuurlijke sancties maar niet tot een verschillende fiscale behandeling kan leiden.

Om de zaak te kunnen beslissen stelt hij het HvJEU de volgende vraag:

“Staan richtlijn 77/388/EEG en richtlijn 2006/112/EG – in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding – in de weg aan een nationale regeling of een fiscale praktijk volgens welke een belastingplichtige die aan een btw-controle is onderworpen en nadien ambtshalve voor btw-doeleinden is geregistreerd, niet in aanmerking komt voor de verleggingsregeling (als maatregel tot vereenvoudiging van de belastingheffing), die ten tijde van de feiten op bindende wijze was vastgesteld voor transacties die door voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtigen werden verricht met betrekking tot percelen land, op grond dat de gecontroleerde belastingplichtige niet heeft verzocht om voor btw-doeleinden te worden geregistreerd – en hij die inschrijving dus ook niet heeft verkregen – vóórdat hij de betrokken transacties heeft verricht dan wel vóór de datum waarop de gestelde bovengrens van jaarlijkse verrichtingen is overschreden?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-385/09 Nidera; C-183/14 Salomie et Oltean;

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-374/16 en C-375/16 Geissel e.a.

By | aftrek voorbelasting, btw, factuuradres (‘brievenbusfirma’), goede trouw | No Comments

Regarding: Gevoegde prejudiciële hofzaken

Keywords: btw; aftrek voorbelasting; factuuradres (‘brievenbusfirma’); goede trouw

Deadline: submit your brief by 8 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoeker in zaak C-374/16 is enig bestuurder en aandeelhouder en hier curator van de sinds 2015 in liquidatie verkerende onderneming RGEX, een bedrijf in motorvoertuigen. De zaak gaat over de btw over 2008, waarin verzoeker btw-vrije intracommunautaire leveringen voor afgenomen voertuigen heeft opgevoerd. Deze leveringen zijn door verweerster (belastingdienst) niet geaccepteerd omdat bij controle zou zijn gebleken dat de voertuigen niet naar SPA waren vervoerd maar in DUI waren gebleven. Verzoekers beddrijf zou een dekmantelbedrijf zijn dat de zetel van bedrijfsuitoefening niet op het factuuradres had. Bij besluit van 19-11-2011 wordt verzoekers bezwaar afgewezen. Zijn beroep wordt slechts gedeeltelijk (levering van één motorvoertuig) toegewezen. Ook het Finanzgericht stelt vast dat het om een ‘brievenbusvestiging’ zou gaan, verzoeker ontplooit op het factuuradres geen economische activiteiten. Verzoeker huurde sinds 2007 op een ander dan het factuuradres kantoorruimte en een garage. De DUI regelgeving voorziet wat betreft de naleving van de voorwaarden voor aftrek van voorbelasting niet in bescherming van goede trouw, zodat dit beginsel geen toepassing vindt bij de vaststelling van de belasting, maar in voorkomend geval alleen kan worden toegepast in het kader van een billijkheidsmaatregel overeenkomstig het belastingwetboek. In hoger beroep (Revision) stelt verzoeker dat een adres (zowel in de zin van de DUI regelgeving als RL 2006/112) dient tot identificatie van de opsteller van de factuur en bereikbaarheid per post van de opsteller. Verweerster zou er ten onrechte van zijn uitgegaan dat zijn onderneming op het factuuradres een economische activiteit moet uitoefenen.

De verwijzende DUI rechter (Bundesfinanzhof) stelt vast dat naar nationaal recht en jurisprudentie verzoeker geen recht op aftrek heeft, ook niet met een beroep op de goede trouw. Hij vraagt zich echter af of, gezien jurisprudentie van het HvJEU (C-439/04 en C-440/04) de DUI regelgeving met EUrecht verenigbaar is. Hij wijst ook op de procedurele opsplitsing (aparte procedure voor een billijkheidsberoep) die de rechtsbescherming van de ondernemer belemmert. Hij stelt in zaak C-374/16 het HvJEU de volgende vragen:

1) Bevat de factuur die vereist is voor de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting overeenkomstig artikel 168, onder a), juncto artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, het “volledige adres” in de zin van artikel 226, punt 5, van die richtlijn, wanneer de ondernemer die goederen heeft geleverd of diensten heeft verricht, op de door hem uitgereikte factuur voor die goederen of diensten een adres vermeldt waar hij weliswaar per post bereikbaar is, maar waar hij geen economische activiteit uitoefent?

2) Staat artikel 168, onder a), juncto artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelet op het doeltreffendheidsbeginsel, in de weg aan een nationale praktijk volgens welke de vraag van de goede trouw van de afnemer van de goederen of diensten met betrekking tot de vervulling van de voorwaarden voor aftrek van voorbelasting niet in het kader van de procedure van vaststelling van de belasting, maar alleen in het kader van een aparte billijkheidsregeling in aanmerking wordt genomen? Kan in dat opzicht artikel 168, onder a), juncto artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde worden ingeroepen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-439/04 en C-440/04 Recolta; C-73/06 Planzer Luxembourg; C-368/09 Pannon Gép Centrum; C-438/09 Dankowski; C-80/11 en C-142/11 Mahagében e.a.; C-285/11 Bonik; C-324/11 Toth; C-18/13 Maks Pen; C-277/14 PPUH Stehcemp

Verzoeker in zaak C-375/16 drijft een autohandel. Hij koopt (jaren 2009 – 2011) onder meer voertuigen van ‘Z’ (de gegevens van de wederpartij zijn geanonimiseerd) die zijn onderneming in 2006 naar een andere stad (‘R’) in DUI heeft verplaatst. Dit adres staat vermeld op de facturen. Z huurt echter ook elders bedrijfsruimte bij een onderneming, maar runt daar geen autobedrijf. Zijn activiteiten lopen enkel via internet. Volgens verzoeker wordt op dat adres wel post voor Z in ontvangst genomen, staat de naam van het bedrijf vermeld op een uithangbord en is Z aangemeld bij de belastingdienst aldaar. Overdracht van de te verhandelen voertuigen geschiedt echter in R. Na belastingcontrole concludeert verweerster (belastingdienst) dat verzoeker geen recht op btw-aftrek heeft omdat het op de facturen vermelde adres van de leverende ondernemer in werkelijkheid niet bestaat en Z geen vestiging in DUI heeft. Hij zou in FRA wonen en van daaruit de voertuigen (intracommunautair) leveren; het opgegeven adres is slechts een brievenbusadres. Verzoeker start na ontvangst van de boetebeschikking een procedure, maar het Finanzamt Bergisch Gladbach wijst 01-10-2013 zijn verzoek om de afrekening om billijkheidsredenen te wijzigen af. In beroep wordt verzoeker echter in het gelijk gesteld: de rechter oordeelt dat in het DUI btw-wetboek opgenomen verplichting tot vermelding van een adres niet inhoudt dat daar bedrijfsactiviteiten moeten worden uitgeoefend. Eerder door het Bundesfinanzhof gedane uitspraken op dit terrein acht de rechter gelet op de technische ontwikkeling en veranderde praktijken in het bedrijfsleven achterhaald. Ook het verzoek om toewijzing aftrek om billijkheidsredenen acht te rechter toewijsbaar gezien verzoekers inspanningen zich te vergewissen dat Z een ondernemer is en dat de factuurgegevens correct zijn. Verweerster gaat tegen die uitspraak in hoger beroep (‘Revision’) bij de verwijzende rechter. De rechter heeft niet voldaan aan zijn onderzoeksverplichting of de leveringen van Z intracommunautaire leveringen waren. Het adres van Z is niet op de facturen vermeld en zij wijst het billijkheidsberoep af omdat verzoeker niet alles zou hebben gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de juistheid van de factuurgegevens te achterhalen.

Ook in deze zaak stelt de verwijzende rechter (Bundesfinanzhof) vast dat verzoeker op grond van de DUI regelgeving geen recht op aftrek heeft. Voor zover aftrek van voorbelasting gerechtvaardigd zou zijn op grond van het vertrouwensbeginsel (en derhalve op de goede trouw van verzoeker voor wat betreft het voldoen aan de eisen voor aftrek) kan dit volgens DUI recht alleen in een aparte procedure gehonoreerd worden. Echter, op grond van de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak valt te betwijfelen of dit het geval is, aangezien bij de overdracht van voertuigen op openbare locaties en op locaties waar geen bedrijf wordt uitgeoefend, bijzondere oplettendheid geboden is. Ook in deze zaak haalt de rechter jurisprudentie van het HvJEU aan, (ook over vertrouwensbeginsel) maar twijfelt hij aan de juiste interpretatie van het begrip ‘adresgegevens’. Hij stelt in zaak C-375/16 het HvJEU de volgende vragen:

1. Vereist artikel 226, punt 5, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “richtlijn 2006/112”) dat een adres van de belastingplichtige wordt vermeld waarop hij zijn economische activiteiten uitoefent?

2. Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord:

a) Volstaat het om als adres in de zin van artikel 226, punt 5, van richtlijn 2006/112 een postbusadres te vermelden?

b) Welk adres moet een belastingplichtige op zijn facturen vermelden wanneer hij een onderneming (bijvoorbeeld een internethandelsbedrijf) drijft die niet over bedrijfsruimte beschikt?

3. Moet de aftrek van voorbelasting in gevallen waarin niet aan de formele factuurvereisten van artikel 226 van richtlijn 2006/112 is voldaan, steeds worden toegestaan wanneer er geen sprake is van btw-fraude of de belastingplichtige niet wist of kon weten dat hij betrokken was bij btwfraude, of vereist het vertrouwensbeginsel in dat geval dat de belastingplichtige alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om zich van de juistheid van de factuurgegevens te vergewissen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: zie boven

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-396/16 T-2

By | btw, gevolgen insolventie, wijziging elementen voor aftrek | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; gevolgen insolventie; wijziging elementen voor aftrek;

Deadline: submit your brief by 19 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is een SLV vennootschap met beperkte aansprakelijkheid voor het ontwerpen, het ontwikkelen en het commercialiseren van elektronische communicatiediensten en -apparatuur, (momenteel insolvent). Zij vordert nietigverklaring van een besluit van de belastingdienst (verweerster) van 27-05-2013 voor btw-betaling over het tijdvak 01-02-2012 tot en met 29-02-2012. Zij verzet zich tegen de maatstaf van de heffing. Verzoekster is onderdeel van een bijzondere procedure naar SLV recht met als doel de schulden van de insolvente schuldenaar te verlichten. In de bezwaarprocedure wordt haar eis in alle drie instanties ongegrond verklaard (laatste uitspraak 18-11-2014 door de hoogste SLV bestuursrechter). Het gaat in deze zaak om een preventief akkoord, gehomologeerd bij besluit van 28-11-2011 (in kracht van gewijsde 24-02-2012) door de rechter te Maribor, waarin voorwaarden zijn gesteld voor de schuldvereffening door verzoekster. Verzoekster heeft aan verweerster een lijst verstrekt met niet-betaalde facturen op basis waarvan zij btw heeft afgetrokken als voorbelasting. Op grond daarvan heeft verweerster de te betalen btw berekend, rekening houdend met het bepaalde in het preventief akkoord. In de SLV btw-wet is bepaald wanneer een belastingplichtige de oorspronkelijke aftrek moet herzien. Verweerster stelt dat door homologatie van het preventief akkoord er een wijziging heeft plaatsgevonden waardoor verzoekster haar aftrek had moeten herzien. Verzoekster bestrijdt die uitleg. Zij stelt dat geen sprake is van wijziging van de elementen voor het bepalen van de aftrek, maar dat een specifieke situatie van niet-betaling is ontstaan waarin de SLV wet niet voorziet zodat een herziening niet vereist is.

De verwijzende hoogste SLV rechter in burgerlijke en strafzaken) oordeelt dat de SLV wet niet uitdrukkelijk bepaalt dat het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van het preventief akkoord een omstandigheid is die ertoe leidt dat de belastingplichtige verplicht is de btw te herzien die hij als voorbelasting heeft afgetrokken. Omdat in RL 2006/112 niet nader wordt gedefinieerd wat de inhoud van het begrip ‘onbetaald gebleven handelingen’ is vraagt de verwijzende rechter zich af wanneer een handeling in de zin van de RL als onbetaald moet worden beschouwd. Dit met het oog op de noodzakelijke beoordeling of homologatie van het preventief akkoord zoals geregeld in de SLV insolventiewet als zodanig moet worden beschouwd. Daarnaast heeft hij voor juiste toepassing van de SLV btw-wet meer uitleg nodig over de samenhang van de artikelen 184 en 185 van RL 2006/112 om te kunnen beoordelen of sprake is van wijziging in de elementen. Uit de jurisprudentie van het HvJEU kan hij voor onderhavige zaak geen duidelijke conclusies trekken. Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:

(1) Moet de vermindering van de schulden, op basis van een preventief akkoord dat bij een in kracht van gewijsde gegane besluit is gehomologeerd, zoals in het hoofdgeding, worden beschouwd als een wijziging in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek van voorbelasting in aanmerking zijn genomen, in de zin van artikel 185, lid 1, van de btw-richtlijn, of als een verschillende situatie, waarbij de aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen, in de zin van artikel 184 van de btw-richtlijn?

(2) Moet de vermindering van de schulden, op basis van een preventief akkoord dat bij een in kracht van gewijsde gegane besluit is gehomologeerd, zoals in het hoofdgeding, worden beschouwd als een (gedeeltelijke) niet-betaling, in de zin van artikel 185, lid 2, eerste alinea, van de btw-richtlijn?

(3) Moet de lidstaat, rekening houdend met de door de Uniewetgever opgelegde vereisten van duidelijkheid en zekerheid van rechtssituaties en gelet op de bepalingen van artikel 186 van de btw-richtlijn, teneinde herziening van de aftrek bij gehele of gedeeltelijke niet-betaling te eisen, zoals is toegestaan door artikel 185, lid 2, tweede alinea, van die richtlijn, in de nationale regeling specifiek voorzien in het geval van niet-betaling, ofwel daaronder het preventief akkoord met een in kracht van gewijsde gegane homologatie opnemen (voor zover dit onder het begrip niet-betaling valt)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-102/08 SALIX; C-550/11 PIGI; C-337/13 Almos Agrárkülkereskedelmi;

Specifiek beleidsterrein: FIN

 

More information can be found (in Dutch) in this PDF.