Category

EEX

C-218/16 Kubicka

By | EEX, erfrecht | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; erfrecht

Deadline: submit your brief by 6 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

Verzoekster is POL staatsburger, gehuwd met een DUI staatsburger. Het echtpaar woont, met de twee uit het huwelijk geboren kinderen, in Frankfurt/O in een woning waarvan de echtelieden elk voor 50% eigenaar zijn. Verzoekster wil een testament opstellen naar POL erfrecht en zich ervan verzekeren dat uitsluitend haar echtgenoot het aandeel in het huis erft. Na voorlichting door de notaris kiest zij ervoor het gewone ‘damnatie’-legaat uit te sluiten vanwege de problemen die zo’n legaat met zich kan brengen. De overgang van de eigendom wordt voorwaarde voor de erfstelling van de kinderen. De notaris weigert echter op 04-11-2015 op grond van de POL notariswet een testament met een ‘vindicatielegaat’ zoals door verzoekster gewenst op te stellen. De notaris heeft aangegeven dat verzoekster keuze voor POL recht en het betreffende legaat weliswaar mogelijk was, maar dat het vindicatielegaat in strijd zou zijn met DUI goederen- en registerrecht dat volgens Vo. 650/2012 in aanmerking genomen moet worden. In DUI wordt alleen het damnatielegaat toegestaan. Hij wijst op een arrest van het Bundesgerichtshof (28-09-1994) waarin het BGH oordeelt dat buitenlands erfrecht niet kan beslissen over de wijze van verkrijging van rechten op in DUI gelegen zaken. Het legaat zou dan ook zakelijke werking in DUI ontberen.
Voor verzoekster is de zakelijke werking echter van fundamenteel belang en zij maakt op 16-11-2015 bezwaar tegen de weigering. Zij stelt dat de bepalingen van Vo. 650/2012 autonoom uitgelegd dienen te worden en dat uit artikel 1, lid 2, onder k), van Vo. 650/2012 voortvloeit dat de bepalingen van het erfrecht ‘de aard van zakelijke rechten’ niet mogen aantasten. Hetgeen volgens verzoekster uitsluitend betekent dat het niet mogelijk is door middel van een vindicatielegaat een zakelijk recht in het leven te roepen dat onbekend is in de rechtsorde van de plaats waar de zaak is gelegen. Het gaat hier echter om het recht van eigendom, dat vanzelfsprekend bekend is in het DUI recht. Bovendien is het POL erfrecht hier van toepassing, niet het DUI. Zij wijst ook op het NL erfrecht dat evenmin de figuur van vindicatielegaat kent maar geen voorbehoud maakt voor wat betreft de zakelijke werking.
De notaris honoreert het bezwaar niet waarop verzoekster naar de rechter stapt.

De verwijzende POL rechter gaat ervan uit dat het (vindicatie-)legaat binnen de werkingssfeer van het erfrecht valt. Gezien de afwijkende juridische beoordeling in het DUI erfrecht ziet hij reden om de volgende vraag ter beslissing aan het HvJEU voor te leggen.
“Moeten artikel 1, lid 2, onder k), artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 31 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (omissis) aldus worden uitgelegd dat erkenning van de zakelijke werking van een in het erfrecht neergelegd vindicatielegaat (legatum per vindicationem) kan worden geweigerd indien dit legaat betrekking heeft op het recht van eigendom op een onroerende zaak die is gelegen in een lidstaat waarvan het recht de figuur van een legaat met onmiddellijke zakelijke werking niet kent?”
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-242/16 Garrett Pontes Pedroso

By | bepaling arbeidsplaats, EEX | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; bepaling arbeidsplaats

Deadline: submit your brief by 3 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2001, L 12, blz. 1)

Verzoeker is piloot en ontslagen door zijn in VK gevestigde werkgever Netjets Management Ltd (verweerster). Op 10-07-2013 start hij een procedure om het ontslag aan te vechten. Verweerster stelt onbevoegdheid van de POR rechter op grond van Vo. 44/2001 en wordt in het gelijk gesteld. In beroep wordt dit vonnis bevestigd (10-09-2014). Verzoeker stelt daarop beroep in cassatie in bij de verwijzende rechter die de zaak op 02-07-2015 terugverwijst, maar ook dan blijft de beroepsrechter bij zijn uitspraak, waarop opnieuw cassatieberoep van verzoeker volgt. Verzoeker heeft vanaf 1999 met verweerster (dan wel één van de andere tot de NETJETS-groep behorende ondernemingen) diverse arbeidscontracten gesloten, de laatste op 01-12-2007. In dat contract staat dat verweerster in het VK gevestigd is en verzoeker in Canada woont. (in vorige overeenkomsten was verzoekers woonplaats in POR of SPA). In het contract (zie onder punt 12 van de verwijzingsbeschikking) is onder meer bepaald wat wordt verstaan onder de ‘standplaats’ van de werknemer, en dat de Engelse rechter bij geschillen bevoegd is. Volgens de website van verweerster zijn alle toestellen van haar Europese vloot in POR geregistreerd onder de naam NETJETS – Transportes Aéros SA. Deze onderneming heeft een POR vliegvergunning en heeft voor verzoeker in POR inkomstenbelasting betaald. Verzoekers ontslagbrief is vanuit POR verstuurd. Verzoeker stelt dan ook dat de POR rechter bevoegd is; zijn laatste standplaats is Lissabon. Op grond van artikel 19, lid 2 van Vo. 44/2001 is de POR rechter bevoegd. Verweerster betwist dat haar centrum van activiteiten in POR zou liggen.

De verwijzende hoogste POR rechter vraagt zich onder meer af of aan de hand van de criteria in artikel 19, lid 2, onder a) van Vo. 44/2001 in deze zaak het bevoegde gerecht kan worden vastgesteld en wat onder ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’ moet worden verstaan. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Kan in de feitelijke context van het onderhavige geval – de werknemer is piloot in de burgerluchtvaart en de door hem volgens zijn arbeidsovereenkomst verrichte werkzaamheid bestrijkt het hele Europese luchtgebied – de „plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” of de „laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt” in de zin van artikel 19, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 worden bepaald?
2. Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag, dat wil zeggen ingeval die plaats kan worden bepaald:
i) Moet/kan onder de „plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” in de zin van bovenvermelde bepaling van gemeenschapsrecht worden verstaan de plaats van de luchthaven waar het door de piloot te besturen vliegtuig staat en van waaruit de reis waarmee deze de uitoefening van zijn functie begint, een aanvang neemt?
En/of moet/kan daaronder worden verstaan de plaats die partijen aanduiden als gateway airport, van waaruit de werknemer wordt vervoerd naar de luchthaven waar het door hem de besturen vliegtuig staat, en waarnaar hij terugkeert?
En/of moet/kan eronder worden verstaan de plaats waar de door de werknemer te besturen vliegtuigen geregistreerd staan?
En/of moet/kan eronder worden verstaan de plaats van waaruit de werknemer instructies, mededelingen en informatie ontvangt over de uit te voeren vluchten, over de diverse aspecten van zijn betrekkingen met verweerster en over de gang van zaken die tot beëindiging van die betrekkingen leidt?
ii) Moet/kan onder „laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt” in de zin van bovenvermelde bepaling van gemeenschapsrecht worden verstaan de plaats van de luchthaven waar het vliegtuig stond dat de piloot het laatst heeft bestuurd voordat zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd?
Of moet/kan daaronder veeleer worden verstaan de door partijen als gateway airport aangeduide plaats, van waaruit de piloot voordat zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd voor het laatst is vervoerd naar de luchthaven waar het door hem bestuurde vliegtuig stond en waarnaar hij vervolgens is teruggekeerd?
3. Kan in de feitelijke context van het onderhavige geval onder de uitdrukking „vestiging […] die de werknemer in dienst heeft genomen” in artikel 19, lid 2, onder b), van verordening nr. 44/2001 worden verstaan het „centrum van werkzaamheden” van de onderneming die in de met de werknemer gesloten arbeidsovereenkomst als werkgever wordt vermeld, waar de aanwerving van piloten plaatsvindt (door de ontvangst en de behandeling van sollicitaties) en waar de piloten hun initiële en aanvullende opleiding krijgen, ook al bevindt dat „centrum van werkzaamheden” zich bij een andere onderneming, die er juridisch van gescheiden is, ofschoon beide tot dezelfde groep van ondernemingen behoren?
4. Kan in de feitelijke context van het onderhavige geval onder de uitdrukkingen „hoofdbestuur” of „hoofdvestiging” in de zin van artikel 60, punt 1, onder b) en c), van verordening nr. 44/2001 worden verstaan het „centrum van werkzaamheden” van de onderneming die in de met de werknemer gesloten arbeidsovereenkomst als werkgever wordt vermeld, waar alle aspecten van de verrichtingen van die onderneming worden gestuurd (van het toezicht op het onderhoud, het luchtverkeer en de vluchtplanning, het onderhoud en de bemanning van de vliegtuigen tot de grondafhandeling en de catering) en van waaruit alle instructies aan de piloten worden gegeven, waar dezen hun initiële en hun aanvullende opleiding krijgen, waar personeelszaken en disciplinaire aangelegenheden of klachten worden behandeld, ook al bevindt dat „centrum van werkzaamheden” zich bij een andere onderneming, die er juridisch van gescheiden is, ofschoon beide tot dezelfde groep van ondernemingen behoren?
5. Moet, gelet op overweging 13 van verordening nr. 44/2001, waarin wordt verklaard dat in het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten de zwakke partij moet worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels, artikel 19, lid 2, onder b), van verordening nr. 44/2001 op de voor de werknemer gunstigste wijze worden uitgelegd?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (zie ook de recente verwijzing van de BEL rechter in C-168/16 en C-169/16 Nogueira e.a.)
Specifiek beleidsterrein: IenM, VenJ en SZW

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-194/16 Bolagsupplysningen et Ilsjan

By | bevoegde rechter, centrum van belangen, EEX | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; bevoegde rechter; centrum van belangen

Deadline: submit your brief by 30 juni 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verzoeksters hebben een vordering ingesteld tegen de ZWE firma Svensk Handel (verweerster). Zij eisen rectificatie van onjuiste informatie die verweerster over verzoekster I heeft gepubliceerd alsmede een schadevergoeding, en voor verzoekster II vergoeding van immateriële schade. Verweerster heeft verzoeksters op een ‘zwarte lijst’ op haar website geplaatst wegens vermeend bedrog en oplichterij. Gevolg is dat verzoeksters bedreigd zijn (oproep tot geweld, een poederbrief) en dat hun activiteiten in ZWE nu nagenoeg stilliggen. Verweerster heeft geweigerd de informatie te verwijderen. Zij stelt dat er geen nauwe band is tussen het geding en de EST rechter en er dan ook geen reden is af te wijken van artikel 4 van Vo. 1215/2012 en artikel 7, pt 2 toe te passen.
De rechter in eerste aanleg oordeelt zich onbevoegd omdat volgens de op de zaak toepasselijke Vo. 1215/2012 geen beroep kan worden gedaan op artikel 7, pt 2: de schade is niet in EST ingetreden. De ‘onjuiste informatie’ is in het ZWE gesteld en derhalve in EST niet begrijpelijk. Schade in EST is niet aangetoond. Verzoeksters gaan in beroep waarin de uitspraak in eerste aanleg wordt bevestigd. Zij stellen dan hoger beroep in bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende EST beroepsrechter stellen verzoeksters dat hun schade in EST, waar zij het centrum van hun belangen hebben, is ingetreden. Zij zijn weliswaar in ZWE actief via postorderverkoop maar het bedrijf is in EST gevestigd. Er zijn geen vertegenwoordigingen in het buitenland. Zij wijzen op uitspraak van het HvJEU in C-509/09 en C-161/10 waarin is geoordeeld dat een persoon die zich door op een website gepubliceerde content in zijn rechten geschonden acht, een vordering tot vergoeding van de volledige schade kan indienen, hetzij bij de gerechten van de LS waar de uitgever van die content gevestigd is, hetzij bij de gerechten van de LS waar zich het centrum van zijn belangen bevindt. De verwijzende rechter twijfelt echter of dat arrest (over natuurlijke personen) ook van toepassing is op rechtspersonen. Daarnaast vraagt hij zich af of in deze zaak kan worden aangenomen dat het centrum van verzoeksters belangen in EST liggen. Van welke criteria moet hij daarvoor uitgaan? Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Moet artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat een persoon van wie de rechten zouden zijn geschonden doordat over hem onjuiste informatie op het internet is gepubliceerd en commentaren over hem niet werden verwijderd, bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan de op het internet gepubliceerde informatie toegankelijk is of was, met betrekking tot de in die lidstaat ingetreden schade kan vorderen dat de onjuiste informatie wordt rechtgezet en de commentaren die zijn rechten schenden, worden verwijderd?
2) Moet artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat een rechtspersoon waarvan de rechten zouden zijn geschonden doordat over hem onjuiste informatie op het internet is gepubliceerd en commentaren over hem niet werden verwijderd, een vordering tot rechtzetting van de informatie, verwijdering van de commentaren en vergoeding van de materiële schade die is ontstaan door de publicatie van de onjuiste informatie op het internet ten belope van zijn volledige schade kan instellen bij de gerechten van de staat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken dan aldus worden uitgelegd dat
– moet worden aangenomen dat het centrum van de belangen van een rechtspersoon en dus de plaats waar zijn schade is ingetreden, ligt in de lidstaat waar zijn zetel zich bevindt, of dat
– bij de bepaling van het centrum van de belangen van een rechtspersoon en dus de plaats waar zijn schade is ingetreden, alle omstandigheden in acht moeten worden genomen, zoals de zetel en inrichting van de rechtspersoon, de woonplaats van zijn klanten en de wijze waarop de transacties worden gesloten?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-509/09 + C-161/10  eDate Advertising e.a.
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-249/16 Kareda

By | EEX, plaats van uitvoering | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; plaats van uitvoering

Deadline: submit your brief by 7 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Hier genoemde verzoekster (verweerster in de procedure) is EST staatsburger en heeft samengewoond met verweerder. Haar huidige adres in EST is onbekend. De relatie is eind 2011 beëindigd. Haar ex-partner heeft op 03-02-2015 een vordering ingesteld tot betaling van € 17.145,41 exclusief rente/kosten voor de aflossing van de hypothecaire leningen op de in 2007 gezamenlijk aangeschafte woning. Sinds juni 2012 heeft verzoekster niet meer aan haar financiële verplichtingen voldaan en heeft verweerder niet alleen zijn eigen termijnen maar ook die van verzoekster moeten aflossen. De voor verzoekster benoemde gemachtigde heeft de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen: verzoeksters woonplaats is in EST en de beschreven situatie valt niet onder EEX-Vo. 1215/2012. Bovendien is de aangezochte rechter niet relatief bevoegd; de kredietfinanciering loopt via een OOS bank en de desbetreffende plaats van uitvoering (vestigingsplaats van de bank) ligt niet binnen het rechtsgebied van de aangezochte rechterlijke instantie.

De verwijzende OOS rechter (Oberster Gerichtshof) stelt vast dat de EEX-Vo. 1215/2012 van toepassing is in deze zaak. Analoge toepassing van rechtspraak van het HvJEU over Vo. 44/2001 leidt ertoe dat in omstandigheden waarin de woonplaats van een onderdaan van een andere EULS onbekend is, de uniforme bevoegdheidsregels van Vo. 44/2001 kunnen worden toegepast. De bepaling ‘geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat’ (in beide Vo.) mag volgens de verwijzende rechter worden toegepast indien het aangezochte gerecht over afdoende aanwijzingen beschikt die de conclusie wettigen dat de verwerende partij buiten de EU woont. In casu is vastgesteld dat verzoekster zich op een onbekend adres in EST bevindt en haar laatst bekende adres ligt in OOS. Conclusie is dat de OOS rechter bevoegd is. Op grond van OOS recht gaat de rechter ervan uit dat het hier om een contractuele vordering in de zin van artikel 7.1 van de Vo. gaat. Hij stelt hierover een vraag mocht het HvJEU dit anders zien. Daarnaast vraagt hij uitspraak van het HvJEU over de vraag onder welk (sub)artikel kredietovereenkomsten vallen. Gaat het om verstrekking van diensten? Hij vraagt bevestiging van zijn oordeel dat de plaats van uitvoering overeenkomst Wenen is en blijft, ook nadat verzoekster van woonplaats is veranderd. De vragen luiden als volgt:
1. Dient artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „EEX-verordening 2012”) aldus te worden uitgelegd dat een recht op terugbetaling (verrekening/verhaal), dat een schuldenaar die in het kader van een (gezamenlijk) gesloten kredietovereenkomst met een bank alle aflossingstermijnen alleen heeft betaald, geldend maakt tegen de andere schuldenaar in deze kredietovereenkomst, een afgeleid (secundair) contractueel recht voortvloeiend uit de kredietovereenkomst is?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Wordt de plaats van uitvoering van het recht op terugbetaling (verrekening/verhaal) van een schuldenaar jegens de andere schuldenaar in de onderliggende kredietovereenkomst bepaald
a. op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, EEX-verordening 2012 (“verstrekking van diensten”) of
b. op grond van artikel 7, punt 1, onder c), juncto onder a), EEX-verordening 2012 volgens de lex causae?
3. Voor het geval dat de tweede vraag, onder a, bevestigend wordt beantwoord:
Is de verstrekking van het krediet door de bank de voor de kredietovereenkomst kenmerkende prestatie, en wordt de plaats van uitvoering voor de verstrekking van deze dienst derhalve op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, EEX-verordening 2012 bepaald door de vestigingsplaats van de bank, indien de verstrekking van het krediet uitsluitend daar is geschied?
4. Voor het geval dat de tweede vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord:
Is voor de bepaling van de plaats van uitvoering ten aanzien van de niet-nagekomen prestatie overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder a), EEX-verordening 2012 doorslaggevend:
a. het tijdstip waarop beide schuldenaren de lening zijn aangegaan (maart 2007) of
b. het tijdstip waarop de tot verhaal bevoegde kredietschuldenaar de betalingen waaruit het recht van verhaal wordt afgeleid, aan de bank heeft verricht (juni 2012 tot en met juni 2014)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-327/10 Hypotecni Banka; C-359/14 ERGO; C-475/14 Gjensidige Baltic
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-283/16 S

By | alimentatie, EEX | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; alimentatie

Deadline: submit your brief by 24 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

C-283/16 S

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   08 juli 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       24 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   24 augustus 2016

Trefwoorden: EEX; alimentatie

Onderwerp: verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Pb 2009, L 7, blz. 1)

Verzoekster (moeder) heeft de DUI nationaliteit. Zij is in 2012 gescheiden van haar Engelse echtgenoot. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren (2007 en 2011). De rechter die de echtscheiding heeft uitgesproken (Amtsgericht Walsrode) heeft bij beschikking van 07-08-2014 de alimentatie bepaald. Moeder en kinderen wonen nog in DUI, de vader (verweerder) werkt in VK. Verweerder weigert de alimentatie te betalen omdat verzoekster contact met zijn kinderen zou tegenwerken. Verzoekster heeft bij verzoekschrift van 07-08-2014 de VK-rechter gevraagd om tenuitvoerlegging van de DUI beschikking op grond van Vo. 4/2009. De vraag die in deze zaak voorligt is een procedurele: namelijk of een verzoek tot tenuitvoerlegging rechtstreeks bij het Family Court kan worden ingediend of dat dit via de Lord Chancellor moet lopen die het vervolgens door tussenkomst van de eenheid wederzijdse tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen (REMO) aan het Family Court doorstuurt.

Voor de verwijzende VK rechter (High Court of Justice – Family Division) aan wie de zaak op 14-07-2015 wordt voorgelegd is de kwestie niet geheel duidelijk. Recente rechtspraak vertonen een innerlijke tegenstrijdigheid in de juridische benadering. In de ene zaak was sprake van een onjuistheid in de nationale wetgeving tot uitvoering van de Vo. waardoor een rechtstreeks verzoek niet mogelijk is, in de andere zaak, waar het ging om een wijziging van de alimentatiebeschikking, werd geoordeeld dat het niet noodzakelijk was een oordeel te geven over de juiste benadering, ondanks het feit dat de analyse van de wetgeving niet geheel in overeenstemming was met de gevolgde redenering. De kwestie is nog altijd niet opgelost en gezien het grote aantal verzoeken van in andere EULS verblijvende alimentatiegerechtigden is een dwingende vaststelling thans noodzakelijk. De rechter schetst uitgebreid de achtergrond van de kwestie van deze ‘dubbelzinnigheid’. Hij wijst met name op het spoedeisende karakter van beslissingen in alimentatiekwesties, zoals met de Vo. wordt beoogd (‘Een onderhoudsgerechtigde dient in een lidstaat gemakkelijk een beslissing te kunnen verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat.’) Verzoekster heeft gewezen (door verweerder niet weersproken) op artikel 20 van de Vo. waarin is bepaald dat stukken voor de tenuitvoerlegging moeten worden verstrekt aan ‘de bevoegde autoriteiten die met de tenuitvoerlegging belast zijn’, waaruit duidelijk kan worden opgemaakt dat hiermede het Family Court wordt bedoeld. Uit de Engelse regelgeving (tenuitvoerlegging Vo.) blijkt echter dat alle verzoeken via REMO moeten lopen. De vraag is dan ook of deze beperking van de rechten van de moeder al dan niet in strijd is met het stelsel van de alimentatieVo. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

(i) In het geval waarin een alimentatiegerechtigde in de ene lidstaat tenuitvoerlegging van een beschikking wil verkrijgen die in een andere lidstaat is gegeven, verleent hoofdstuk IV van [verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1)] (“alimentatieverordening”) haar dan een recht om rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat een verzoek tot tenuitvoerlegging in te dienen?

(ii) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dient hoofdstuk IV van de alimentatieverordening dan aldus te worden uitgelegd dat elke lidstaat verplicht is om in een procedure of mechanisme te voorzien waardoor dit recht wordt erkend?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-400/13 en C-408/13 Sanders e.a.

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-340/16 Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft

By | EEX, schadeloosstelling (loondervingskosten) | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; schadeloosstelling (loondervingskosten)

Deadline: submit your brief by 21 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2001, L 12, blz. 1).

Een werknemer van verzoekster krijgt op 26-03-2011 als fietser een verkeersongeval in ITA waarbij een verzekerde van verweerster, de FRA verzekeraar, als chauffeur betrokken is. Verzoekster start op grond van Vo. 44/2001 bij de Rb Klagenfurt een schadevergoedingsprocedure wegens schuld van de chauffeur; zij heeft gedurende het ziekteverlof het salaris van de werknemer doorbetaald. Verweerster bestrijdt de vordering en de internationale bevoegdheid van het gerecht gezien het eigen stelsel van bevoegdheidsverdeling in verzekeringszaken in afdeling 3 van hoofdstuk II van de Vo. Het doel van die regeling is bescherming van de zwakke partij; daarop kan verzoekster geen aanspraak maken. De rechter oordeelt echter dat een rechtspersoon, ongeacht de grootte, altijd de zwakkere partij in de procedure zal zijn. In tweede instantie wijst de rechter de exceptie van ontbrekende internationale bevoegdheid toe. Hij oordeelt dat een publiekrechtelijke instelling voor de bedrijfsvoering van vijf ziekenhuizen niet als zwakkere partij kan worden gekwalificeerd. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

Volgens vaste rechtspraak van de verwijzende OOS rechter ( Oberster Gerichtshof) gaat het recht op vergoeding van loonderving na een verkeersongeval door wettelijke subrogatie over op de werkgever (voor zover die verplicht is tot doorbetaling). Verzoekster treedt in deze zaak op als civiele partij zodat het een civiele zaak is in de zin van artikel 1.1 van de Vo. Partijen zijn het eens dat (conform het Verdrag van Den Haag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg) de zaak wordt beheerst door ITA recht.

Het HvJEU heeft eerder uitspraak gedaan in soortgelijke zaken (C-463/06 en C-347/08) waarbij enerzijds het begrip ‘getroffene’ nader is gespecificeerd, dat wil zeggen niet beperkt tot het rechtstreeks getroffen slachtoffer maar ook indirect getroffen personen kan omvatten. Anderzijds beschouwde het HvJEU als grond voor de bijzondere bevoegdheden in verzekeringszaken het beschermen van de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren partij. Daaruit volgt dat de ter zake in Vo. 44/2001 voorziene bevoegdheidsregels niet mogen worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben, zoals in casu in betrekkingen tussen beroepsmensen uit de verzekeringssector. Het HvJEU lijkt er echter vanuit te gaan dat dit per geval wordt onderzocht, hetgeen op gespannen voet staat met het vereiste van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Gaat het bij de vordering van een binnenlandse werkgever tot vergoeding van de door de loondoorbetaling aan zijn in het eigen land woonachtige werknemers op hem verschoven schade om een vordering in “verzekeringszaken” in de zin van artikel 8 van verordening (EG) nr. 44/2001, wanneer

a) de werknemer bij een verkeersongeval in een lidstaat (Italië) gewond is geraakt,

b) de vordering is gericht tegen de verzekeraar van de wettelijke aansprakelijkheid die in een andere lidstaat (Frankrijk) is gevestigd,

c) de werkgever een publiekrechtelijke instelling met eigen rechtspersoonlijkheid is?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Dient artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 aldus te worden uitgelegd, dat de werkgever die het loon doorbetaalt als “getroffene” de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeraar van het schadeveroorzakende voertuig kan oproepen voor het gerecht van de plaats waar de werkgever is gevestigd, voor zover een dergelijke rechtstreekse vordering mogelijk is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-463/06 FBTO Schadeverzekeringen; C-47/08 Vorarlberger Gebietskrankenkasse;

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-341/16 Hanssen beleggingen

By | EEX, merkenrecht | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; merkenrecht

Deadline: submit your brief by 19 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2001, L 12, blz. 1).

Verweerster is sinds 07-09-1979 ingeschreven als houdster van een beeldmerk bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). Oorspronkelijk stond het merk op naam van de onderneming van haar vader, van wie zij (blijkens verklaring van erfrecht, bij het BBIE overgelegd op 14-11-2003) enige erfgenaam is. Het merk is toen op haar verzoek overgezet op verweersters naam. Verzoekster (een NL beleggingsbureau) stelt dat zij ingevolge een reeks van overgangen van het litigieuze merk de werkelijke houdster van de rechten is geworden en eist dat verweerster bij het BBIE verklaart geen rechten meer op het merk te hebben en af te zien van inschrijving als merkhoudster. Er zou duidelijk sprake zijn van verjaring. De Rb Düsseldorf wijst verzoeksters vordering af: er is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking en verweerster is niet ten onrechte in het BBIE ingeschreven aangezien het merk onderdeel uitmaakt van het vermogen van haar (overleden) vader en aan verweerster krachtens rechtsopvolging onder algemene titel is overgedragen. Verzoekster gaat tegen dat besluit in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

Volgens de verwijzende DUI rechter ( Oberlandesgericht Düsseldorf) hangt de uitspraak in deze zaak af van de uitleg van artikel 22, punt 4, van Vo. 44/2001, aan de hand waarvan (ambtshalve) moet worden bepaald welke rechter bevoegd is. Verweerster heeft woonplaats in DUI zodat op grond van artikel 2, lid 1 de DUI rechter internationaal bevoegd is. Maar de NL rechter zou bevoegdheid aan artikel 22.4 kunnen ontlenen omdat het BBIE in NL gevestigd is. Het gaat dan om het begrip ‘geschillen’ inzake de registratie of geldigheid van octrooien. Volgens jurisprudentie van het HvJEU moet dit begrip autonoom worden uitgelegd. Volgens het Duijnstee-arrest (1983) en ook in de DUI rechtsleer inzake internationaal privaatrecht wordt ervan uitgegaan

dat geschillen inzake de hoedanigheid van houder van een IE-recht niet vallen onder de bepalingen van het EEX-verdrag. Hij wijst ook op de recente conclusie van de AG in C-230/15. In de ontwikkelingen in het IE-recht sinds 1983 en de nieuwe versie van artikel 18 van Vo. 2015/2424 (tot wijziging van de gemeenschapsmerkVo. 207/2009) ziet hij een pleidooi voor een sterkere band tussen de houder van de rechten en de plaats van registratie.

De verwijzende rechter besluit een vraag aan het HvJEU voor te leggen omdat, wanneer hij de internationale bevoegdheid van de DUI rechterlijke instanties ten onrechte aanvaardt, het gevaar bestaat dat de partij die in de onderhavige procedure in het ongelijk wordt gesteld, een procedure in NL aanhangig kan maken met hetzelfde voorwerp en daarbij kan aanvoeren dat die uitspraak niet rechtens bindend is wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid van de DUI rechter. Zijn vraag luidt als volgt:

“Omvat het begrip geschillen inzake “de registratie of de geldigheid van […] merken” als bedoeld in artikel 22, punt 4, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ook een vordering die ertoe strekt dat de in het Benelux-merkenregister formeel ingeschreven houdster van een Benelux-merk bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom verklaart dat zij geen rechten heeft op het betrokken merk en afziet van de inschrijving als merkhoudster?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: 288/82 Duijnstee; C-4/03 GAT; (AG in) C-230/15 Brite Strike Technologies;

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-436/16

By | EEX, forumkeuzebeding | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; forumkeuzebeding

Deadline: submit your brief by 9 oktober 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp:- verordening (ΕG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Malcon Navigation (MN, statutaire zetel in Malta en werkelijke zetel in GRI) is eigenaar van het schip ‘Sea Pride’, geregistreerd te Malta en in beheer bij een firma die statutair gevestigd is in Panama. Zij houdt tevens kantoor in GRI. Brave Bulk Transport Ltd, (BB) gevestigd in Malta, heeft haar statutaire zetel in Liberia en werkelijke zetel in GRI. Zij behoort tot een groep ondernemingen waarvan onder meer verzoeker Vafeias, actief in charteren en beheren van schepen, eigenaar is. Leventis is enig bestuurslid en wettelijk vertegenwoordiger van BB.

Het gaat om een overeenkomst, gesloten op 09-06-2006 over de verhuur van een schip van MN aan BB. BB verhuurt het schip vervolgens aan het MinHandel van Irak voor een transport van Hamburg/DUI naar Irak, maar retourneert vervolgens het schip vijf maanden te laat aan MN. MN start daarop een arbitragezaak in Londen zowel tegen BB als tegen de Staat Irak en eist schadevergoeding. Op basis van verklaringen van BB dat verzoeker Vafeias zeer solvent is en de intentie had de vorderingen te voldoen trekt zij haar eis tot zekerheidstelling in. In augustus 2007 komt het tot een schikking tussen partijen, BB betaalt alsnog de huurvordering en partijen tekenen een schorsingsovereenkomst van de arbitrageprocedure voor zes maanden. BB behoudt haar vordering op de Staat Irak en partijen zullen samenwerken om die vordering te innen, waarvoor MN dan bij toewijzing van de vordering 20% in het vooruitzicht gesteld is. In november 2008 komt MN er achter dat BB al in mei 2008 een schikking met de Staat Irak heeft geregeld, terwijl MN in mei 2008 de overeenkomst met BB opzegt omdat er met de Staat Irak niet te onderhandelen zou zijn en tevens de arbitrageprocedure met eis tot schadevergoeding jegens BB heeft hervat. De eis wordt toegewezen maar in de tussentijd hebben verzoekers alle vermogensbestanddelen van BB vervreemd zodat betaling onmogelijk is geworden.

Op 22-09-2010 komt de zaak in GRI voor de rechter. In de overeenkomst van 14-11-2007 is een forumkeuzebeding opgenomen waarin de bevoegdheid bij de Engelse rechter is gelegd. Verzoekers werpen dan ook de exceptie van onbevoegdheid van de GRI rechter op. Zowel in eerste als in tweede instantie verklaart de rechter dat ten aanzien van BB de internationale bevoegdheid bij de Engelse rechter ligt. In tweede aanleg oordeelt de rechter tevens dat verzoekers, die geen partij bij de initiële overeenkomst waren, niet door het forumkeuzebeding gebonden werden (persoonlijke werkingssfeer van het forumkeuzebeding).

Aangezien de verwijzende GRI rechter (Areios Pagos = hoogste rechter) twijfelt aan de juistheid van de beslissing in lagere instanties legt hij de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Geldt een forumkeuzebeding, dat overeenkomstig artikel 23, lid 1, van verordening (ΕG) nr. 44/2001 tussen vennootschappen is overeengekomen en in het onderhavige geval is vervat in de overeenkomst van 14 november 2007 tussen de eerste en de tweede verweerster in cassatie, waarvan artikel 10 bepaalt dat “de onderhavige overeenkomst wordt beheerst door het Engelse recht en is onderworpen aan de rechtsmacht van de Engelse rechter, en de High Court of England and Wales is bij uitsluiting bevoegd ter zake van elk daaruit of in verband daarmee gerezen geschil”, ook voor de verantwoordelijke personen die in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld en volgens artikel 71 in samenhang met artikel 926 van de Αstikos Κodikas hoofdelijk met de rechtspersoon aansprakelijk zijn, ten aanzien van gedragingen en omissies van de organen van de tweede verweerster in cassatie, die haar vertegenwoordigen en volgens artikel 71 van de Griekse Astikos Kodikas haar aansprakelijkheid in het leven roepen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-467/16

By | alimentatie, begrip ‘gerecht’, EEX, Verdrag van Lugano | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; Verdrag van Lugano; alimentatie; begrip ‘gerecht’

Deadline: submit your brief by 26 oktober 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Verdrag van Lugano (2007) betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

– verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen;

Verzoekster woont in ZWI. Haar moeder ontvangt van het districtbestuur Schwäbisch Hall (DUI, verweerder) een aanvullende bijstandsuitkering. Naar DUI recht (sociaal Wb) gaan door de overheid verstrekte uitkeringen over op het orgaan dat bijstand verleent en kunnen die uitkeringen worden verhaald op voldoende draagkrachtige biologische kinderen wanneer aan de daartoe gestelde voorwaarden in DUI Bw is voldaan. Op 16-10-2015 heeft verweerder bij een ZWI vredegerecht een (volgens ZWI BRv wettelijk verplicht) bemiddelingsverzoek ingediend tot vordering van minstens € 5000 van verzoekster. Partijen zijn in die procedure niet tot overeenstemming gekomen. De zaak is daarna voorgelegd aan de kantonrechter Schaffhausen waar verweerder heeft gevorderd verzoekster te veroordelen tot betaling van een minimumbedrag aan alimentatie en het verstrekken van aanvullende inlichtingen. Verzoekster is op 19-02-2016 op grond van Vo. 4/2009 een procedure gestart bij de Rb Schwäbisch Hall tot verkrijging van een negatieve declaratoire vordering. Die Rb verklaart zich 07-03-2016 relatief onbevoegd en stuurt de zaak door naar de Rb Stuttgart. Verweerder heeft daar gesteld dat de vordering moet worden afgewezen op grond van ‘lis pendens’ (Verdrag van Lugano 2007). Verzoekster heeft gesteld dat de ZWI bemiddelingsinstantie geen ‘gerecht’ in de zin van dat Verdrag is.

De verwijzende DUI rechter (Rb Stuttgart) stelt vast dat de beide procedures in wezen hetzelfde voorwerp hebben. Het HvJEU heeft in eerdere jurisprudentie aangegeven dat het begrip ‘identieke vordering’ ruim moet worden uitgelegd. Ook het Bundesgerichtshof heeft deze rechtspraak gevolgd. De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is in hoeverre op verzoekster een alimentatieverplichting rust waarvan krachtens subrogatie de nakoming kan worden gevorderd. ZWI is sinds 2011 partij bij het (herziene) verdrag van Lugano. Uit artikel 64.2.a van het verdrag maakt hij op dat het verdrag voorrang heeft op Vo. 4/2009 (een lex specialis ten opzichte van Vo. 1215/2012). De verwijzende rechter twijfelt of de ingeschakelde bemiddelingsinstantie als ‘gerecht’ in de zin van het Verdrag kan worden aangemerkt. De uitleg van artikel 62 van het Verdrag is ook in de ZWI rechtsleer omstreden. Het begrip ‘aanhangigheid’ wordt in de beide rechtsstelsels verschillend uitgelegd. Hij legt dan ook de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Valt ook een bemiddelingsinstantie naar Zwitsers recht onder het begrip ‘gerecht’ in de zin van de artikelen 27 en 30 van het op 30 oktober 2007 te Lugano ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘verdrag van Lugano 2007’)?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ

 

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-447/16 en C-448/16

By | bevoegde rechter, compensatie luchtvaartpassagiers, EEX | No Comments

Regarding: Gevoegde prejudiciële hofzaken

Keywords: EEX; bevoegde rechter; compensatie luchtvaartpassagiers

Deadline: submit your brief by 20 oktober 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken).

– verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91.

Zaak C-447/16: Verzoeker heeft met buiten de EU gevestigde verweerster Hainan Airlines een luchtvervoerovereenkomst gesloten voor een vlucht op 07-08-2013 van Berlijn – Brussel (met Brussels Airlines) en Brussel – Peking met verweerster (geen zetel in DUI). Berlijn – Brussel verloopt volgens plan maar vervolgens moet verzoeker terugvliegen naar Berlijn en hij krijgt daar een ticket rechtstreeks naar Peking. Hij stelt een compensatievordering (€ 600) omdat hem in Brussel zonder reden en tegen zijn wil de toegang tot de tweede vlucht geweigerd was. De rechter in eerste aanleg verklaart zich internationaal onbevoegd. Verzoekers beroep wordt verworpen; de rechter vindt noch in het Verdrag van Montreal, noch in de Brussel-I-verordening een grond voor bevoegdheid van de DUI gerechten omdat er in DUI geen plaats van uitvoering is. Het gaat om twee afzonderlijke vluchten door twee afzonderlijke dienstverleners. Alleen Brussel zou als plaats van uitvoering in aanmerking komen (plaats van het schadebrengende feit). De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) stelt vast dat de uitkomst afhankelijk is van uitleg van artikel 5.1.b van Vo. 44/2001 (= artikel 66 van Vo. 1215/2012). De vraag moet worden beantwoord of de luchthaven Berlijn als plaats van uitvoering beschouwd kan worden. Hij vergelijkt onderhavige zaak met de zaak Rehder (C-204/08) waarin het Hof oordeelde dat onder omstandigheden het eerste vertrekpunt als plaats van uitvoering kan worden beschouwd. De verwijzende rechter wijst op het feit dat het om één boeking gaat, en dat verzoeker met zijn bagage is ingecheckt in Berlijn voor de gehele vlucht. In zaak C-447/16 legt hij deze vraag voor aan het HvJEU:

„Dient bij personenvervoer bestaande uit twee vluchten zonder noemenswaardig oponthoud in de overstapluchthaven, het vertrekpunt van het eerste deeltraject ook dan als plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EG) nr. 44/2001 te worden beschouwd, wanneer het met de vordering geldend gemaakte recht op compensatie op grond van artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 wordt gebaseerd op een probleem dat zich tijdens het tweede deeltraject heeft voorgedaan en de vordering wordt gericht tegen de medecontractant van de vervoerovereenkomst, die de luchtvaartmaatschappij is die weliswaar de tweede maar niet de eerste vlucht moest uitvoeren?”

In zaak C-448/16 gaat het om een verzoeker die met zijn vrouw en drie kinderen een vervoersovereenkomst via een reisbureau bij Iberia boekt voor een vlucht vanaf Frankfurt/Main – Madrid en Madrid – Melilla. De vluchten Madrid – Melilla v.v. worden uitgevoerd door verweerster Air Nostrum. Door vertraging op de terugvlucht naar Madrid mist het gezin de aansluitende vlucht naar Frankfurt/M en is er bij aankomst een vertraging van vier uur. Verzoeker eist compensatie. De rechter in eerste aanleg wijst de vordering toe, maar na beroep van verweerster (DUI gerechten niet bevoegd) wordt de vordering alsnog niet-ontvankelijk verklaard: geen plaats van uitvoering in DUI. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) stelt vast dat ook in deze zaak de uitkomst afhankelijk is van de uitleg van artikel 5.1.b van Vo. 44/2001. Het gaat tevens om twee deeltrajecten waarbij verweerster niet de maatschappij is waarmee de overeenkomst is gesloten. Verweerster is geen medecontractant van de passagiers, zodat ook de vraag moet worden beantwoord of sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5.1.b. Ook hier verwijst hij naar de zaak Rehder en ook hier gaat het om één boeking en incheck van de passagiers voor het gehele traject. De vragen in zaak C-448/16 luiden als volgt:

1. Dient artikel 5, punt 1, onder a), van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus te worden uitgelegd dat het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” ook betrekking heeft op een recht op compensatie op grond van artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 29[5]/91, dat wordt uitgeoefend tegen een uitvoerende luchtvaartmaatschappij die niet de medecontractant is van de betrokken passagier?

2. Wanneer artikel 5, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van toepassing is:

Dient bij personenvervoer bestaande uit twee vluchten zonder noemenswaardig oponthoud in de overstapluchthaven, de eindbestemming van de passagier ook dan als plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EG) nr. 44/2001 te worden beschouwd, wanneer het met de vordering geldend gemaakte recht op compensatie op grond van artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 wordt gebaseerd op een probleem dat zich tijdens het eerste deeltraject heeft voorgedaan en de vordering wordt gericht tegen de luchtvaartmaatschappij die de eerste vlucht heeft uitgevoerd maar niet de medecontractant van de vervoerovereenkomst is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-204/08 Rehder; C-581/10 en C-629/10 Nelson e.a.;

Specifiek beleidsterrein: VenJ, IenM en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-433/16 Bayerische Motoren Werke

By | bevoegde rechter, EEX | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: EEX; bevoegde rechter

Deadline: submit your brief by 15 oktober 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

– verordening 6/2002 voor de gemeenschapsmodellen.

Acacia heeft verzoekster gedagvaard (Rb Napels) ter verkrijging van een uitspraak tot vaststelling van niet-inbreuk op gemeenschapsmodellen van allooivelgen voor autobanden, in eigendom of onder octrooi van verzoekster. Zij vordert dat vragen aan het HvJEU worden gesteld voor wat betreft de bevoegdheid van de ITA rechter. Verzoekster heeft (onder meer) de onbevoegdheid van de ITA rechter als exceptie opgeworpen, zich baserend op zowel Vo. 44/2001 als Vo. 6/2002, die beide de DUI rechtbanken als bevoegd aanwijzen. Voor wat betreft het verwijt van misbruik van machtspositie stelt zij dat ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ niet dezelfde is en niet dezelfde kan zijn als die waar de uiteindelijke economische schade aan het vermogen van de beweerde schadelijder zich heeft voorgedaan, aangezien aldus het forum van artikel 5, lid 3, van de Vo. Brussel I zou samenvallen met het forum actoris, hetgeen in strijd is met het algemeen criterium van de woonplaats van verweerder. Zij wijst op het feit dat verweerster geen enkele vordering tot schadevergoeding tegen haar heeft ingediend zodat de plaats van de schade zich niet in ITA kan bevinden.

De verwijzende ITA rechter (Hof van Cassatie) verwijst naar arrest in zaak C-133/11 waarin het HvJEU zich heeft uitgesproken over

51 Het is bekend dat het Hof zich bij arrest van 25 oktober 2012 in zaak C-133/11 reeds heeft uitgesproken over de toepassing van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001, ook wanneer het gaat om een rechtsvordering tot vaststelling van een niet-inbreuk, strekkende tot de verklaring van het ontbreken van aansprakelijkheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, waardoor het in de onderhavige zaak van toepassing is;

52 Het Hof heeft bijgevolg geoordeeld dat de regeling van de bijzondere

bevoegdheid van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/20011 in algemene

bewoordingen van toepassing is „ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad” en die formulering lijkt aldus een rechtsvordering tot vaststelling van nietinbreuk a priori niet uit te sluiten van de werkingssfeer van die bepaling;

[Or.16]

53 De Verenigde kamers hebben dit arrest van het Hof toegepast en daarbij het volgende opgemerkt:

„…(omissis) Wat vooral blijkt is dat – volgens vaste rechtspraak – de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001, die een uitzondering vormt op het beginsel van de bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de verweerder, berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de rechterlijke instantie van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd is (zie de aangehaalde arresten Zuid-Chemie, punt 24, en eDate Advertising en Martinez, punt 40). De rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, is immers

normaliter het best in staat is om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker (zie in die zin de arresten van 1 oktober 2002, Henkel, C-167/00, Jurispr. blz. I-8111, punt 46, en Zuid-Chemie, punt 24).

Ook moet in herinnering worden gebracht dat de uitdrukking ,plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001 zowel doelt op de plaats waar de schade is

BAYERISCHE MOTOREN WERKE

9

ingetreden als op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zodat de verweerder ter keuze van de [Or. 17] eiser voor de rechter van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arrest van 19 april 2012 Wintersteiger, C-523/10).

Daarom moet de nationale rechter een van die twee aanknopingspunten bepalen, teneinde zich bevoegd te kunnen verklaren om zich uit te spreken over een geding inzake onrechtmatige daad.”

Het Hof heeft op dat punt geoordeeld dat de bijzonderheid van een negatief

declaratoire vordering erin bestaat dat de eiser wil doen vaststellen dat de

voorwaarden voor de aansprakelijkheid waaraan de verweerder een recht op vergoeding zou ontlenen, niet zijn vervuld. Het Hof oordeelt in dat verband dat de omkering van de traditionele procesverhoudingen bij een vordering uit onrechtmatige daad in – aangezien de eiser de potentiële schuldenaar van een op een onrechtmatige daad gebaseerde vordering is, terwijl de verweerder de vermeende benadeelde van die daad is – een negatief declaratoire vordering niet van de werkingssfeer van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001 uitsluit (zie Cassatie Verenigde kamers 20700/13).

54 [OMISSIS]; [bijkomende rechtspraak in dezelfde zin]

55 Het Hof wordt dus gevraagd of het standpunt ingenomen in het arrest van

25 oktober 2012 in zaak C-133/11 betreffende de toepassing van artikel 5, lid 3, een algemene en absolute draagwijdte heeft [Or.18] en van toepassing is op elke rechtsvordering tot vaststelling van niet-aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad, met inbegrip van de vaststelling van niet-namaak van Gemeenschapsmodellen.

Overwegende bovendien dat:

56 Acacia srl heeft ook een vordering tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke mededing door BMW ingesteld;

57 Inzake het misbruik van machtspositie voorziet verordening nr. 1/2003, naast de bevoegdheid van de Commissie (artikel 4) in de gevallen voorzien in de verordening, die niet aan de orde zijn in de onderhavige zaak, ook in de bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten (artikel 5) en van de nationale rechterlijke instanties;

58 Betreffende de oneerlijke mededinging is er geen Unierechtelijke regeling voor de harmonisering en evenmin voor het bepalen van de bevoegdheid, aangezien gedingen inzake oneerlijke mededinging niet onder de bepalingen van de artikelen 81 en 91 van verordening nr. 6/2002 vallen, waardoor de nationale regeling erop van toepassing is;

VERZOEK OM EEN PREJUDICIËLE BESLISSING VAN 5. 4. 2016 – ZAAK C-433/16

10

59 Deze twee gedingen die samen met het geding inzake Gemeenschapsmodellen zijn ingesteld, blijken ermee samen te hangen, voor zover de toewijzing ervan de voorafgaande toewijzing van de vordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt;

[Or.19]
60 Artikel 28 van verordening nr. 44/2001 bepaalt dat er samenhang is bij

vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

61 Dit artikel 28 vermeldt bovendien enkel het geval waarin samenhangende vorderingen door verschillende rechters worden behandeld, en niet door dezelfde rechter, zoals in de onderhavige zaak het geval is;

62 Het valt daarom te betwijfelen dat de betrokken zaken tegelijkertijd voor dezelfde rechter samen met de zaak betreffende vaststelling van niet-inbreuk kunnen worden behandeld, overeenkomstig een extensieve uitlegging van artikel 28, lid 3, van verordening nr. 44/2001, met als gevolg dat in dit tweede geval de zaak betreffende het Gemeenschapsmodel door de rechter moet worden behandeld die overeenkomstig de Unierechtelijke verordeningen nrs. 44/2001 en/of 6/2002 bevoegd is en de tweede zaak door de rechter van de andere lidstaat overeenkomstig de nationale regeling van die lidstaat;

63 Ondergeschikt aan die vraag rijst er een tweede vraag, namelijk of de twee betrokken vorderingen een onrechtmatige daad vormen en, indien ja, of dit gevolgen heeft voor de toepasselijkheid op de onderhavige zaak van vordering nr. 44/2001 (artikel 5, lid 3) ofwel verordening nr. [6/2002].

De vragen luiden als volgt:

64 (1) Kan volgens artikel 24 van verordening nr. 44/2001 het vooraf opwerpen van de exceptie van onbevoegdheid van de aangezochte nationale rechter, maar ondergeschikt aan andere prejudiciële procedure-excepties, voordat wordt ingegaan op de grond van de zaak, worden uitgelegd als een aanvaarding van de rechtsbevoegdheid?

65 (2) Moet het feit dat in artikel 82, lid 4, van verordening nr. 6/2002 voor gedingen inzake de vaststelling van niet-inbreuk niet wordt voorzien in de bevoegdheid van andere rechterlijke instanties dan de rechterlijke instantie van de gedaagde zoals bepaald in artikel 82, lid 1, aldus worden uitgelegd dat dit de toekenning van een exclusieve bevoegdheid voor die gedingen impliceert?

66 (3) Moet, teneinde de vraag in punt 65 te beantwoorden, bovendien rekening worden gehouden met de uitlegging van de regels inzake exclusieve bevoegdheid van verordening nr. 44/2001, in het bijzonder van artikel 22 – dat voorziet in de gevallen waarvoor exclusieve bevoegdheid bestaat, onder andere voor de registratie en de geldigheid van octrooien, merken en tekeningen, maar niet voor gedingen inzake de vaststelling van niet-inbreuk – en artikel 24 – dat voorziet in de mogelijkheid van aanvaarding door de verweerder van de bevoegdheid van een ander gerecht, buiten de gevallen waarin de bevoegdheid van het gerecht voortvloeit uit andere bepalingen van de verordening, waardoor het door de eiser aangezochte gerecht bevoegd wordt?

67 (4) Is het standpunt dat is ingenomen in het arrest van het Hof van 25 oktober 2012 in zaak C-133/11 betreffende de toepasbaarheid van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001 algemeen geldend en absoluut en is het van toepassing op elke rechtsvordering tot vaststelling van niet-aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad, met inbegrip van de rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op gemeenschapsmodellen, en is in casu derhalve de rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 dan wel die bedoeld in artikel 5, lid 3, nr. 44/2001 bevoegd, of staat het aan de eiser voor de ene of de andere van deze rechterlijke instanties te kiezen?

68 (5) Kunnen, overeenkomstig een extensieve uitlegging van artikel 28, lid 3, van verordening nr. 44/2001, vorderingen betreffende misbruik van machtspositie en oneerlijke mededinging, wanneer zij worden ingesteld in het kader van een geding inzake gemeenschapsmodellen, waarmee zij samenhangen, voor zover de toewijzing ervan de voorafgaande toewijzing van de vordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt, samen met deze laatste vordering voor dezelfde rechter worden behandeld?

69 (6) Betreffen de twee vorderingen waarvan sprake is in punt 68, een onrechtmatige daad en, zo ja, kunnen zij, inzake de rechterlijke bevoegdheid, gevolgen hebben voor de toepasselijkheid op de onderhavige zaak van vordering nr. 44/2001 (artikel 5, lid 3) of verordening nr. [6/2002]?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-133/11 Folien Fischer et Fofitec;

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.