Category

Europees aanhoudingsbevel (EAB)

C-148/16 Akarsar

By | Europees aanhoudingsbevel (EAB), overlevering | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB); overlevering

Deadline: submit your brief by 22 mei 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

Verzoeker is POL staatsburger. Hij is in ZWE, maar bevindt zich niet in detentie. De aanvraag voor behandeling als spoedprocedure is door het HvJEU niet gehonoreerd. Verzoeker is in POL tot vijf jaar en zes maanden vrijheidsstraf veroordeeld waarvan hij nog drie jaar, acht maanden en 26 dagen moet ondergaan. De straf is opgelegd voor achttien verschillende feiten, waarvan er zeventien tevens strafbaar zijn in ZWE. Het achttiende feit (onttrekking aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf) is in het ZWE recht niet strafbaar en wordt evenmin genoemd in kaderbesluit 2002/584. POLaut hebben aangegeven dat het niet mogelijk is de straf op te splitsen. De Rb en het Hof van beroep hebben de overlevering afgewezen. Het OM komt op tegen dat besluit. Verzoeker verzet zich tegen zijn overlevering.

De verwijzende ZWE rechter (Hooggerechtshof in burgerlijke en strafzaken) stelt vast dat met overlevering door ZWE enkel kan worden ingestemd voor een feit dat strafbaar is gesteld door het ZWE recht (de omzetting van het kaderbesluit). Weigering is mogelijk als het feit dat aan het EAB te grondslag ligt naar het recht van de uitvoerende EULS niet strafbaar is. Hij haalt een eerdere strafzaak aan van een overlevering tussen FIN en ZWE waar hetzelfde probleem speelde (verschillende strafbare feiten waarvan één niet strafbaar in ZWE); dat probleem kon door FINaut worden opgelost aangezien het in FIN mogelijk is een in kracht van gewijsde gegaan strafrechtelijk vonnis te herzien. Aangezien dat in POL niet mogelijk is vraagt de rechter zich af hoe in deze zaak te beslissen en legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Kan een lidstaat de tenuitvoerlegging weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf die wegens meerdere feiten samen is opgelegd, wanneer een van deze feiten geen strafbaar feit is naar het recht van de uitvoerende lidstaat en het in de uitvaardigende lidstaat niet mogelijk is de straf op te splitsen?”
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-579/15 X

By | Europees aanhoudingsbevel (EAB), gelijkstelling met NL burger, weigeringsgronden | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB); weigeringsgronden; gelijkstelling met NL burger

Deadline: submit your brief by 15 januari 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Verklaringen van sommige lidstaten bij de aanneming van het kaderbesluit;
– Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

Verzoeker is een in NL verblijvende POL staatsburger. Het tegen hem uitgevaardigde EAB vermeldt dat hij op 05-02-2007 in POL is veroordeeld tot één jaar vrijheidsstraf en dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden op 13-07-2007. POLaut hebben zijn overlevering verzocht. De Rb AMS (zaak geopend in maart 2014) ziet geen gronden tot weigering van de overlevering, maar verzoeker stelt dat hij voldoet aan alle voorwaarden van artikel 6.5 Overleveringswet (OLW, gelijkstelling met een NL burger). De Rb heeft geconstateerd dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf van meer dan vijf jaar. Het OM stelt echter dat de overlevering niet mag worden geweigerd op grond van OLW artikel 6.2 in verbinding met artikel 6.5 met het oog op de tussen NL en POL geldende regelingen (kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909, Verdrag overbrenging gevonniste personen + aanvullend protocol waarin onder meer het ‘vluchtcriterium’ en de Schengen Uitvoeringovereenkomst). Sinds 01-07-2014 is door de Wet herziening regels betreffende de extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken de mogelijkheid geschapen om rechtsmacht uit te oefenen over vreemdelingen die vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in NL verblijven en nu onder OLW artikel 6.5 vallen. De POL wetgeving staat echter geen overdracht van strafvervolging toe indien sprake is van een onherroepelijke veroordeling, zoals in casu, en nog eens bevestigd in briefwisseling tussen MinVenJ en POLaut.
In een eerdere zaak heeft de Rb geoordeeld dat een kaderbesluitconforme uitleg van OLW artikel 6.2 en 3 niet mogelijk is omdat dat contra legem zou zijn gezien de woordkeuze van de NL wetgever (‘bereidverklaring’ in plaats van ‘verbintenis’). Het OM stelt dat van uitleg contra legem geen sprake hoeft te zijn indien de Rb OLW artikel 6.2 en 3 zo uitlegt dat ‘bereid verklaren’ een vorm van ‘verbinden’ is. Overlevering kan dan alsnog worden toegestaan in zaken waarin overname van de straf niet mogelijk is. Tenuitvoerlegging mag nooit uitblijven (met als gevolg straffeloosheid en dat NL een ‘safe haven’ wordt). De HR heeft dit eerder als rechtvaardiging voor discriminatie op grond van nationaliteit aanvaard.

De verwijzende NL rechter (Rb Amsterdam) oordeelt dat het systeem van OLW artikel 6.2 en 3 zich niet verdraagt met Kaderbesluit 2002/584/JBZ artikel 4.6 omdat de “verbintenis” tot tenuitvoerlegging als bedoeld in dat artikel een noodzakelijke voorwaarde is voor de weigering van de executieoverlevering van een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende LS. Deze voorwaarde beoogt kennelijk te voorkomen dat die onderdaan of ingezetene zijn straf ontloopt. Zelfs indien men die “verbintenis” opvat als een eenzijdige verbindende toezegging van de uitvoerende LS en zelfs indien men de “bereidheid” als bedoeld in OLW artikel 6.3 opvat als zo een “verbintenis”, dan nog volgt uit het wettelijk systeem dat de weigering van de executieoverlevering uitsluitend op grond van dat artikel een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de totstandkoming van die “verbintenis”/”bereidheid”. Hij legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
I. Mag een lidstaat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht dat:
zijn uitvoerende rechterlijke autoriteit zonder meer verplicht is de executie overlevering van een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat te weigeren, deze weigering van rechtswege de bereidheid tot overname van de tenuitvoerlegging van de aan die onderdaan of ingezetene opgelegde vrijheidsstraf in het leven roept, maar dat de beslissing over de overname van de tenuitvoerlegging pas na de weigering van de executie overlevering wordt genomen en dat een positieve beslissing afhankelijk is van
(1) een basis in een verdrag dat tussen de uitvaardigende lidstaat en uitvoerende lidstaat van kracht is,
(2) de voorwaarden die dat verdrag stelt en
(3) de medewerking van de uitvaardigende lidstaat zoals het doen van een daartoe strekkend verzoek, zodat het risico bestaat dat de uitvoerende lidstaat na weigering van de executieoverlevering de tenuitvoerlegging niet kan overnemen, terwijl dit risico niet afdoet aan de verplichting tot weigering van de executieoverlevering?
II. Indien het antwoord op vraag I ontkennend luidt,
a) kan de nationale rechter de bepalingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ rechtstreeks toepassen, ook al worden ingevolge artikel 9 van Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de rechtsgevolgen van dit kaderbesluit gehandhaafd, zolang dit kaderbesluit niet ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd is
b) zo ja, is artikel 4, punt 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk om door de nationale rechter te worden toegepast?
III. Indien het antwoord op vragen I en II b) ontkennend luidt: mag een lidstaat wiens nationale recht voor de overname van de tenuitvoerlegging van de buitenlandse vrijheidsstraf een basis in een daartoe strekkend verdrag eist artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht dat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zelf de vereiste verdragsbasis oplevert, teneinde het aan de aan de nationale eis van een verdragsbasis verbonden risico van straffeloosheid te vermijden (zie vraag I)?
IV. Indien het antwoord op vragen I en II b) ontkennend luidt: mag een lidstaat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht, dat:
– hij voor de weigering van de executieoverlevering van een ingezetene van de uitvoerende lidstaat die onderdaan is van een andere lidstaat als voorwaarde stelt dat de uitvoerende lidstaat rechtsmacht heeft voor de in het EAB bedoelde feiten en dat geen feitelijke beletselen bestaan voor een (eventuele) strafvervolging in de uitvoerende lidstaat van die ingezetene voor die feiten (zoals de weigering van de uitvaardigende lidstaat om het strafdossier over te dragen aan de uitvoerende lidstaat),
– terwijl hij zo een voorwaarde niet stelt voor de weigering van de executieoverlevering van een onderdaan van de uitvoerende lidstaat?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-123/08 Wolzenburg; C-42/11 Lopes da Silva;
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-452/16 (PPU) X

By | begrip ‘rechterlijke autoriteit’, Europees aanhoudingsbevel (EAB) | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB); begrip ‘rechterlijke autoriteit’

Deadline: submit your brief by

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedure tussen de lidstaten

Verzoeker heeft de POL nationaliteit. Tegen hem is door de Swedish National Police Board op 30-06-2014 een EAB uitgebracht; verzoekers overlevering is verzocht ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en drie maanden en opgelegd (voornamelijk) wegens ‘zware mishandeling’.

NL OM heeft de volgende vragen gesteld aan zijn ZWE collega:

“1. Zijn sinds het evaluatieverslag van 2008 en de Zweedse reactie daarop van 2011 de positionering, structuur en aansturing van The National Police Board en The International Police Cooperation Division gewijzigd en, zo ja, in welk opzicht?

2. Zijn The National Police Board en The International Police Cooperation Division onafhankelijk van de uitvoerende macht bij de uitvaardiging van EAB ‘s?

3. Op basis van welke criteria en volgens welke procedure beslissen The National Police Board en The International Police Cooperation Division over de uitvaardiging van EAB’s ter tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen?”

De door ZWEaut gegeven antwoorden (zie de pagina’s 6 – 10 van de verwijzingsbeschikking) geeft de verwijzende rechter reden zich af te vragen of sprake is van uitvaardiging van het EAB door een ‘rechterlijke autoriteit’ zoals aangegeven in artikel 1.1 van Kaderbesluit 2002/584, met name in het licht van de zaak C-241/15 Bob Dogi.

De verwijzende NL rechter (Rb Amsterdam) ziet dat artikel 6, tweede lid, van het kaderbesluit zo kan worden gelezen dat het aan het nationale recht is overgelaten om te bepalen wat een rechterlijke autoriteit is, maar ook zo dat het alleen aan het recht van de uitvaardigende EULS wordt overgelaten om, met inachtneming van het autonoom en uniform uit te leggen begrip ‘rechterlijke autoriteit’, de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen. Aangezien het HvJEU zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag welke rechterlijke bescherming op het niveau van uitvaardiging van het EAB gewaarborgd moet zijn legt hij het HvJEU de volgende vragen voor (gecorrigeerde versie):

1. Vormen de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ autonome begrippen van Unierecht?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: aan de hand van welke criteria kan worden vastgesteld of een autoriteit van de uitvaardigende lidstaat een dergelijke ‘rechterlijke autoriteit’ is en het door haar uitgevaardigde EAB bijgevolg een dergelijke ‘rechterlijke beslissing is?

3. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: valt the Swedish National Police Board onder het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en is het door deze autoriteit uitgevaardigde EAB bijgevolg een ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

4. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt: is de aanduiding van een nationale politieautoriteit zoals the Swedish National Police Board als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in overeenstemming met het Unierecht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-168/13 PPU Jeremy F.; C-241/15 PPU Bob Dogi; C-404/15 en C-659/15 PPU Aranyosi en Cäldäraru; C-108/16 Dworzecki;

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-367/16 (X)

By | Europees aanhoudingsbevel (EAB), overlevering | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB); overlevering

Deadline: submit your brief by 15 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.

Verzoeker is een in 1993 geboren POL staatsburger die zonder vaste woon- of verblijfplaats in BEL verblijft, momenteel in detentie. Op 17-07-2014 is door de Rb Bialystok met een EAB om zijn overlevering verzocht. Het verzoek is gebaseerd op twee veroordelingen: de eerste van 15-09-2011 tot zes maanden celstraf voor diefstal van een fiets en het tweede van 10-09-2012 tot celstraf van 2 jaar en zes maanden voor het geven van valse inlichtingen over een ernstige aanslag. De BEL onderzoeksrechter heeft verzoeker voor het tweede feit onder aanhoudingsmandaat gesteld, voor de eerste veroordeling heeft hij geoordeeld dat hij geen uitvoering kan geven aan het EAB wegens toenmaals minderjarigheid van verzoeker. BEL OM is tegen dat oordeel in hoger beroep gegaan (07-06-2016).

De verwijzende BEL rechter (Hof van Beroep Brussel) stelt vast dat in het BEL recht de strafrechtelijke verantwoordelijkheid op 18 jaar is bepaald, maar dat die in bepaalde gevallen, geregeld in de BEL jeugdbeschermingswet, op 16 jaar gesteld kan worden. In het BEL uitleveringsrecht wordt dan niet gekeken naar de aard van de gepleegde feiten, maar in het overleveringsrecht is dit niet zo geregeld. De rechter haalt BEL jurisprudentie aan waaruit blijkt dat er nog geen consistente lijn in die rechtspraak is. Het OM stelt dat alleen een oordeel in abstracto mag plaatsvinden; de gepleegde feiten zijn zowel in POL als in BEL strafbaar en de strafmaat voldoet aan de BEL EAB-wet zodat er geen belemmeringen voor de overlevering zijn. Om de zaak te kunnen beslissen stelt hij het HvJEU de volgende vragen:

1) Dient artikel 3.3 van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel zo geïnterpreteerd te worden dat de overlevering enkel kan worden toegestaan van personen die naar het recht van de uitvoerende lidstaat als meerderjarig worden beschouwd of laat voormeld artikel de uitvoerende lidstaat toe de overlevering ook toe te staan voor minderjarigen die op grond van de nationale regels vanaf een bepaalde leeftijd (en al dan niet mits het voldaan zijn aan een aantal voorwaarden) strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen worden gesteld?

2) In de hypothese dat de overlevering van minderjarigen niet verboden wordt door artikel 3.3 van het kaderbesluit, dient artikel 3.3 van het kaderbesluit dan geïnterpreteerd te worden:

a) in de zin dat het bestaan van een (theoretische) mogelijkheid om conform het nationale recht minderjarigen vanaf een bepaalde leeftijd te kunnen straffen volstaat als criterium om de overlevering toe te staan (m.a.w. door het uitvoeren van een beoordeling in abstracta op basis van het criterium van de leeftijd vanaf wanneer iemand als strafrechtelijk aansprakelijk kan worden beschouwd zonder rekening te houden met eventuele bijkomende voorwaarden)? of

b) in de zin dat het principe van de wederzijdse erkenning, zoals opgenomen in artikel 1.2 van het kaderbesluit noch de tekst van artikel 3.3 van het kaderbesluit er zich tegen verzetten dat de uitvoerende lidstaat geval per geval een beoordeling in concreto verricht waarbij mag worden geëist dat voor wat de in het kader van de overlevering gezochte persoon betreft, aan dezelfde voorwaarden van strafrechtelijke aansprakelijkheid voldaan is als deze geldende voor de nationale onderdanen van de uitvoerende lidstaat, gelet op hun leeftijd op het moment der feiten, gelet op de aard van het ten laste gelegde misdrijf en gebeurlijk zelfs gelet op voorgaande rechterlijke tussenkomsten in de uitvaardigende lidstaat die tot een maatregel van opvoedkundige aard hebben geleid, zelfs al zijn die voorwaarden niet bestaande in de uitvaardigende lidstaat?

c) Als de uitvoerende lidstaat een beoordeling in concreto mag verrichten, is er dan, om straffeloosheid te vermijden, geen onderscheid te maken tussen een overlevering ter fine van strafvervolging en een overlevering ter fine van strafuitvoering?

3) Als de uitvoerende lidstaat een beoordeling in concreto mag verrichten, is er dan, om straffeloosheid te vermijden, geen onderscheid te maken tussen een overlevering ter fine van strafvervolging en een overlevering ter fine van strafuitvoering?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-453/16 (PPU) Ö

By | Europees aanhoudingsbevel (EAB) | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: Europees aanhoudingsbevel (EAB);

Deadline: submit your brief by

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Kaderbesluit kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedure tussen de lidstaten

Verzoeker, geboren 1965, heeft de TUR nationaliteit; zijn overlevering is sinds 28-05-2015 verzocht door HONaut. Hij zou zich in HON schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrifte. Het verzoek is door NL OM op 20-04-2016 ontvangen. De verwijzende rechter heeft 01-06-2016, na arrest in de zaak C-241/15 Bob Dogi, HONaut de volgende vraag voorgelegd:

“Wordt het ontbreken van een vermelding in het Europees aanhoudingsbevel (EAB) van een van het EAB te onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel verklaard door het feit dat een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel inderdaad niet bestaat of dat een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel bestaat, maar niet is vermeld? [zie punt 65 van het genoemde arrest] Indien een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel wel bestaat, maar niet is vermeld: wat is de aard van dat bevel en wanneer en door welke instantie is dat bevel gegeven?”

HONaut stuurt een gecorrigeerde versie (21-06-2016) met vermelding dat de andersluidende mededelingen in de Engelse vertaling berusten op kennelijke vergissingen van de vertaler. Deze versie wordt door de Rb om procesrechtelijke redenen als een nieuwe EAB beschouwd.

Op 08-07-2016 heeft de verwijzende rechter HON OvJ verzocht de navolgende vragen over de positie en de rol van het HON OM te beantwoorden:

1. Is het Hongaarse Openbaar Ministerie onafhankelijk van de uitvoerende macht en van partijen?

2. Wat houdt de bekrachtiging door het Hongaarse Openbaar Ministerie van een door de politie uitgevaardigd aanhoudingsbevel in?

3. Op basis van welke criteria en welke procedure oordeelt het Hongaarse Openbaar Ministerie over de bekrachtiging van een door de politie uitgevaardigd aanhoudingsbevel? 

4. Wat is het gevolg van de bekrachtiging van zo een aanhoudingsbevel door het Hongaarse Openbaar Ministerie?

5. Kan een lid van het Hongaarse Openbaar Ministerie na de bekrachtiging van een door de politie uitgevaardigd aanhoudingsbevel in dezelfde zaak bij de vervolging van de verdachte optreden als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie?

Naar aanleiding van de antwoorden van HONaut (zie pagina 4/5 van de verwijzingsbeschikking) vraagt de verwijzende NL rechter (Rb Amsterdam) zich af of een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door de politie en nadien is bekrachtigd door een lid van het OM een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 8.1 van kaderbesluit 2002/584 oplevert. Het kaderbesluit bevat geen definitie van het begrip ‘rechterlijke beslissing’. Hij citeert uit de arresten in de PPU-zaken C-108/16 en C-294/16 waarin het HvJ oordeelde dat “uniforme toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel (vereist) dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd”. Door het woord ‘normaliter’ laat het HvJEU echter de mogelijkheid open dat geen sprake is van een autonoom en uniform begrip van EUrecht, ook al ontbreekt een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de EULS. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Is de uitdrukking ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit 2002/584/JBZ een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht?

2. Zo ja, welke betekenis heeft dit begrip?

3. Levert de bekrachtiging door een lid van het Openbaar Ministerie van een voordien door de politie uitgevaardigd nationaal aanhoudingsbevel zoals aan de orde in het onderhavige geval een dergelijke ‘rechterlijke beslissing’ op?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-241/15 Bob Dobi; C-108/16 PPU Dworzecki; C-294/15 PPU JZ

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.