Category

landbouw

C-262/16 Shields & Sons Partnership

By | btw, landbouw | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; landbouw

Deadline: submit your brief by 14 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Verzoekster is een agrarische familieonderneming in Noord-Ierland, actief in de veehouderij. Zij koopt vee van een geaffilieerde onderneming, en na vetmesten worden de dieren aan een slachthuis (ABP) verkocht. Op aanraden van ABP heeft verzoekster in mei 2004 een aanvraag ingediend voor deelname aan de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten (op grond van artikel 296 lid 2 van de btw-richtlijn). De aanvraag wordt toegewezen waardoor verzoekster gerechtigd werd om ABP te factureren voor de prijs van het verkochte vee en daarbovenop betaling te ontvangen van een forfaitair bedrag van 4% van alle verkopen. ABP kon die aanvullende 4% behandelen als voorbelasting en van de belastingdienst (verweerster) dienovereenkomstig teruggave verlangen. In het eerste jaar is er financieel nog geen groot verschil voor verzoekster, maar na dat jaar komt zij tot de conclusie dat het voor haar winstgevender is om alleen met ABP zaken te doen, waarna haar omzet stijgt, mede door de gestegen rundvleesprijzen (zie de tabel in de verwijzingsbeschikking). Na constatering van de verschillen trekt verweerster bij brief van 15-10-2012 het aan verzoekster verleende certificaat voor toepassing van de regeling in. Verzoekster vraagt heroverweging van dat besluit maar dat wordt 21-12-2012 geweigerd. Verzoekster gaat in beroep. In eerste aanleg wordt verzoeksters beroep 08-10-2014 verworpen. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende VK rechter (United Kingdom Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) constateert twee geschilpunten. Allereerst of artikel 296 lid 2 van de btw-RL uitputtend regelt wanneer een landbouwproducent van de regeling kan worden uitgesloten (zoals verzoekster stelt) en zo ja of het besluit van verweerster gerechtvaardigd kan worden op de grond dat verzoekster behoort tot een categorie landbouwproducten in de zin van het artikel. Verweerster stelt met name dat aan het streven naar belastingneutraliteit afbreuk zou worden gedaan indien individuele landbouwproducenten teveel profijt van de regeling zouden hebben.
De toepasselijkheid van artikel 296, lid 2, in deze procedure hangt af van de betekenis van de uitdrukking ‘categorieën landbouwproducenten’. Verzoekster stelt dat verweerster geen categorie (volgens haar een groep of klasse), maar een individuele onderneming heeft uitgesloten. Zij zou daartoe over een discretionaire bevoegdheid moeten beschikken. Verweerster wijst op het antwoord op de vraag (in een btw-mededeling) wanneer een begunstigde geen gebruik meer van de regeling mag maken (antwoord: ‘als blijkt dat u als forfaitair belaste landbouwproducent wezenlijk meer terugkrijgt dan het geval zou zijn indien u op de gebruikelijke wijze voor de btw zou zijn geregistreerd’). Die mededeling heeft weliswaar geen rechtskracht maar geeft weer wat verweerster onder de uit te sluiten categorie verstaat. Verweerster wijst ook nog op haar bevoegdheid uit de btw-Vo om maatregelen te treffen ter bescherming van belastinginkomsten. De verwijzende rechter legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1. Moet artikel 296, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad, dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten zoals vervat in hoofdstuk 2 van titel XII van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarin een uitputtende regeling is neergelegd voor de gevallen waarin een lidstaat een landbouwproducent mag uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten? In het bijzonder wordt het volgende gevraagd:
1.1 Mag een lidstaat landbouwproducenten enkel op grond van artikel 296, lid 2, uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.2 Mag een lidstaat een landbouwproducent ook op grond van artikel 299 uitsluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.3 Heeft een lidstaat op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit de bevoegdheid om een landbouwproducent uit te sluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
1.4 Zijn lidstaten bevoegd om landbouwproducenten op andere gronden uit te sluiten van de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten?
2. Hoe dient het begrip „categorieën landbouwproducenten” in artikel 296, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG te worden uitgelegd? In het bijzonder wordt gevraagd:
2.1 Moet een concrete categorie landbouwproducenten aan de hand van objectieve kenmerken kunnen worden vastgesteld?
2.2 Kan een concrete categorie landbouwproducenten ook worden vastgesteld aan de hand van economische overwegingen?
2.3 Welke mate van nauwkeurigheid is vereist voor de vaststelling van een categorie landbouwproducenten die een lidstaat heeft willen uitsluiten?
2.4 Is een lidstaat bevoegd om als relevante categorie aan te merken „landbouwproducenten van wie blijkt dat zij als deelnemers aan de forfaitaire regeling wezenlijk meer terugkrijgen dan het geval zou zijn indien zij voor de btw zouden zijn geregistreerd?
Specifiek beleidsterrein: FIN en EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-227/16 Arts

By | inkomenssteun (slachtpremie/bedrijfstoelslag), landbouw | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: landbouw; inkomenssteun (slachtpremie/bedrijfstoelslag)

Deadline: submit your brief by 6 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
– Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot premieregelingen;
– Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers;
– Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het EP en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Vo (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Vo (EG) nr. 73/2009 van de Raad

Verzoeker heeft een kalverhouderij. Hij volgt het concept van ‘Peters Farm’, een kwaliteitslabel dat meer aandacht geeft aan dierenwelzijn. Van 2006 – 2010 krijgt verzoeker van overheidswege slachtpremies die worden uitgekeerd op grond van Vo. 1254/1999. Verweerder (veevoeder- of ‘integratie’bedrijf Alpuro) levert het voer en neemt de gemeste kalveren af. Partijen sluiten op 01-04-2008 een ‘koopcontract kalverhouderij, voor de productie van Peters Farm kalfsvlees’. Hierin is opgenomen dat verweerder de kalveren uitzet bij verzoeker die de dieren na (een mestronde van) 26 weken weer bij verweerder ‘inlevert’ voor hun eindbestemming. In de overeenkomst zijn zes rondes afgesproken.
Deze zaak gaat over het doorsluizen van de vergoedingen die verzoeker van overheidswege krijgt naar Alpuro. In de contracten is vastgelegd dat de vergoedingen (uit het toen lopende programma ‘agenda 2000’) direct dienen te worden afgedragen en dat in geval van verlies van recht dat aan de kalvermester te wijten is het oorspronkelijke (premie-)bedrag toch aan verweerder dient te worden uitbetaald. Als laatste is opgenomen dat de gemeste kalveren uitsluitend aan Alpuro mogen worden verkocht. Op 01-01-2010 wordt de steunverlening door middel van slachtpremies vervangen door bedrijfstoeslagen. Brancheorganisatie LTO schrijft haar leden per brief begin december 2009 dat ‘bijna alle contractgevers willen vasthouden aan overheveling van de betreffende EU-premiegelden naar de contractgever.’ Maar de vakgroep vleeskalverhouderij vindt dat de kalverhouders daarin vrij moeten zijn omdat de toeslagrechten eigendom blijven van de kalverhouder en ook aan hem uitbetaald worden. LTO adviseert om de afspraken stap voor stap te wijzigen. Daarbij zou de eerste stap moeten zijn om in aansluiting op de lopende contracten vast te leggen dat op de overheveling een uniform bedrag van minimaal € 10,- per kalverplaats per jaar ingehouden mag worden door de kalverhouder. Alpuro voert het advies door in de overeenkomst met verzoeker. In 2011 wordt Alpuro een dochter van Van Drie Holding. Laatste stuurt op 27-04-2012 aan verzoeker een nota voor 2010 en een voor 2011 maar verzoeker betaalt niet. Hij reageert op 18-07-2012 dat artikel 9 van de overeenkomst (de doorsluizing) in strijd is met EU-recht en vraagt om terugbetaling van bedrijfstoeslagen over 2010 en 2011 aan welk verzoek Alpuro niet voldoet. Hij eist bij de Rb een verklaring voor recht dat het artikel in strijd is met de doelstellingen van Vo. 1782/2003 (verzekeren redelijke levensstandaard voor landbouwers). Verweerder stelt dat hij geen aanspraak maakt op de bedrijfstoeslag maar wijst op het door partijen vastgelegde verrekenschema. Hij verwijt verzoeker van twee walletjes te eten: hij draagt een deel van zijn ondernemersrisico over aan verweerder maar houdt de bedrijfstoeslag voor zichzelf. Mocht nietigheid volgen dan vraagt verweerder wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden.
De Rb wijst verzoekers eis af op grond van de contractsvrijheid en Vo. 73/2009 verbiedt een regeling als in casu voorligt niet. Verzoeker gaat in beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende NL rechter (Hof Arnhem) stelt vast dat gezien het tijdverloop er achtereenvolgens drie Verordeningen gelden: 1782/2003, 73/2009 en 1307/2013. Verzoeker benadrukt met name de doelstelling (verbetering levensstandaard) van de regelgeving. In eerdere jurisprudentie van het HvJEU heeft de EURCIE onder meer aangegeven dat de premieontvanger keuzevrijheid heeft om te bepalen wat hij met de premie doet. Omdat de verwijzende rechter strijdigheid denkbaar acht legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Is een samenstel van bedingen in een overeenkomst tussen een kalvermester en een integratiebedrijf, zoals weergegeven in 3.4 en 3.5 van dit arrest, waaruit volgt dat de aan de kalvermester toegekende bedrijfstoeslag krachtens Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, toekomt aan het integratiebedrijf door middel van aftrek van de prijs voor de vette kalveren, geldig gezien de doelstellingen van deze Verordening, met name de verschaffing van een redelijke levensstandaard voor landbouwers door middel van rechtstreekse inkomenssteun en de bevordering van volksgezondheid, diergezondheid, milieu en dierenwelzijn?
2. In geval van ontkennende beantwoording van vraag 1: heeft de nationale rechter gezien de bestaande strijd met de doelstellingen van Verordening 73/2009 de bevoegdheid om de overeenkomst op basis van de clausula-rebus-sic-stantibus-leer aldus te wijzigen dat het door de nietigheid ontstane nadeel voor het integratiebedrijf geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven, in het bijzonder door verlaging van de prijs voor vette kalveren?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-272/06 Mainelvo; C-434/08 Harms; C-470/08 Van Dijk
Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-289/16 Kamin und Grill Shop

By | biologische producten, landbouw | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: landbouw; biologische producten;

Deadline: submit your brief by 27 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91 (Pb 2007, L 189, blz. 1).

Verzoekster exploiteert via internet een postorderbedrijf voor open haard- en barbecuebenodigdheden. Zij verkocht in december 2012 onder meer een kruidenmelange onder de naam ‘biokruiden’. Haar activiteiten vielen toen nog niet onder het controlesysteem van de Vo. biologische productie/etikettering. Artikel 28 lid 1 van de Vo. eist dat een onderneming zich aan het in de Vo. genoemde controlesysteem onderwerpt alvorens haar producten als biologische producten in de handel te brengen.

De DUI NMa (verweerster) verwijt verzoekster bij aanmaningsbrief van 28-12-2012 dat zij met haar aanbod artikel 28 lid 1 van Vo. 834/2007 schendt en eist een onthoudingsverklaring met boetebeding. Verzoekster voldoet aan die vordering. Daarna start verweerster alsnog een procedure en eist van verzoekster terugbetaling van een deel van de kosten (EUR 219,35) die zij voor de aanmaning heeft moeten maken. De eerste rechter wijst de vordering af, maar in hoger beroep wordt verweerster in het gelijk gesteld; de kosten mogen verhaald worden omdat verweerster terecht heeft gemaand. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

Voor de verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) hangt het slagen van de Revision af van de uitleg van artikel 28, lid 2 van de Vo. Verzoekster heeft de kruiden als ‘bioproduct’ aangeboden maar niet voldaan aan de uit de Vo. voortvloeiende verplichtingen. Pas sinds begin 2013 wordt zij gecontroleerd. De vraag is of verzoekster op grond van de DUI Eko-landbouwwet was vrijgesteld van die verplichting nu zij de biokruiden (artikel 28 lid 2 van de Vo.) ‘direct’ aan de eindverbruiker heeft verkocht. De voorwaarde waaraan moet worden voldaan is dat de marktdeelnemer deze producten niet zelf produceert, bereidt of opslaat op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt, die biologische producten niet uit een derde land invoert of dergelijke activiteiten niet aan een derde partij heeft uitbesteed. De uitkomst van het geding hangt af van de uitleg van het begrip ‘direct’ aan de eindverbruiker. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Is er al sprake van een ‘directe’ verkoop aan de eindconsument in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 834/2007 wanneer de marktdeelnemer of diens verkooppersoneel de producten aan de eindconsument verkoopt zonder tussenkomst van een derde, of vooronderstelt een ‘directe’ verkoop bovendien dat de verkoop gebeurt in de opslagplaats van de producten in aanwezigheid van zowel de marktdeelnemer of zijn verkooppersoneel als de eindconsument?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ, VWS

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-315/16 Lingurár

By | landbouw, Natura 2000, plattelandsontwikkeling (ELFPO), steun | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: landbouw; steun; plattelandsontwikkeling (ELFPO); Natura 2000

Deadline: submit your brief by 8 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Verzoeker dient op 13-05-2013 een aanvraag in voor 2013 voor compensatie voor bospercelen. Dit wordt op 27-11-2013 door het Bureau voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling (MVH) afgewezen op de grond dat de betreffende bospercelen in eigendom zijn van de HON Staat. Verzoeker maakt bezwaar (besluit ongegrond, onrechtmatig, niet gemotiveerd). Hij stelt dat aan de perceelgrootte (van meer dan 1 ha) ruim is voldaan en dat het eigendomsaandeel van de Staat zeer klein is (0,182%), zodat de steun ten hoogste voor dit aandeel zou kunnen worden verminderd. Noch de HON regeling noch Vo. 1698/2005 biedt een grondslag voor weigering. (Rechtsvoorganger van) verweerster (kanselarij Eerste Minister) bevestigt het besluit – steun kan slechts worden verleend voor bospercelen die conform een regeringsbesluit als Natura-2000-zones zijn opgenomen in een databank en voldoen aan de door MinLNV gestelde liggingsvoorwaarden. Zij verwijst ook naar de rechtstreeks toepasselijke voorwaarden van Vo. 1698/2005. Bospercelen die als Natura-2000 percelen zijn omschrijven, die, ook gedeeltelijk, eigendom zijn van Staat of gemeente, komen niet voor steun in aanmerking. Ook zou verzoeker niet aan de drempel van 1 ha voldoen. In de daaropvolgende procedure wijst verzoeker met name op artikel 46 van de Vo. waarin geen voorwaarden met betrekking tot de eigendom als door verweerster worden gesteld. De rechter in eerste aanleg wijst zijn vordering af; geen steun kan worden verleend aan bospercelen die als Natura-2000-percelen zijn aangemerkt wanneer deze, zij het gedeeltelijk, staatseigendom zijn. De resterende oppervlakte blijft onder de drempel waardoor steun terecht is geweigerd. In hoger beroep herhaalt verzoeker zijn argumenten: indien de rechtsvoorschriften correct worden uitgelegd heeft hij recht op steun naar verhouding van zijn eigendomsaandeel. Verweerster blijft erbij dat de zaak duidelijk is en geen verdere uitleg van EUrecht noodzakelijk.

De verwijzende HON rechter (Hooggerechtshof) oordeelt echter dat nadere uitleg van de Vo. wel noodzakelijk is ter beslechting van het geschil, met name gezien artikel 46 daarvan. Verlies van de gehele steun vanwege gedeeltelijke eigendom van Staat of gemeente lijkt onverenigbaar met het doel van de Vo. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moet artikel 42, lid 1, van verordening (EG) nr. 1698/2005 (hierna: “verordening”), mede gelet op 46 ervan, aldus worden uitgelegd dat particulieren niet volledig zijn uitgesloten van steun ter bevordering van een duurzaam gebruik van bosgrond, wanneer deze grond gedeeltelijk staatseigendom is?

2. Indien de steun niet volledig is uitgesloten, kan artikel 46 van de verordening dan aldus worden uitgelegd dat de particuliere bosexploitant of -eigenaar voor de betrokken grond, die gedeeltelijk staatseigendom is, recht heeft op steun in verhouding tot zijn eigendomsaandeel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-393/16 Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne

By | gemeenschappelijke ordening landbouwproducten, landbouw, oorsprongsbenaming | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: landbouw; gemeenschappelijke ordening landbouwproducten; oorsprongsbenaming

Deadline: submit your brief by 15 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen;

– verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 491/2009 van de Raad van 25 mei 2009;

– Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken;

– Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten;

– Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen;

– Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad.

Verzoekster is een vereniging van de FRA champagne-industrie, waarbij alle wijnboeren en bedrijven die betrokken zijn bij de aanbouw en productie van champagne zijn aangesloten. Galana (interveniënte aan de zijde van verweerster Aldi) produceert diepvriesproducten, waaronder “Champagner Sorbet”, die verweerster, een discounter, eind 2012 aanbood en waarvoor zij reclame maakte in brochures. Volgens de lijst van ingrediënten op de verpakking van het product bestaat “Champagner Sorbet” onder meer uit “champagne (12 %)”. Verzoekster is van mening dat de verkoop van het diepvriesproduct inbreuk maakt op de beschermde oorsprongsbenaming “champagne” en vordert een verbod op het gebruik van de benaming “Champagner Sorbet” in het economische verkeer van diepvriesproducten. De rechter in eerste aanleg wijst verweersters vordering toe. In hoger beroep (door interveniënte) wijst de appelrechter de vordering alsnog af. Hij oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een verbod en dat er geen sprake is van misleiding in de zin van Vo. 1308/2013. Verzoekster stelt daarop beroep in Revision in bij de verwijzende rechter.

De verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) stelt vast dat nadere uitleg nodig is van artikel 118 quaterdecies van Vo. 1234/2007 en van de sinds 01-01-2014 vervangende bepaling artikel 103 van Vo. 1308/2013. Uit rechtspraak van het HvJEU destilleert hij dat aan in het register van de EURCIE ingeschreven oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen absolute voorrang toekomt. Dit geldt ook wanneer een soortnaam bestanddeel is van een uit meerdere woordbestanddelen bestaande benaming. In C-75/15 heeft het HvJEU geoordeeld over mogelijke verwarring bij het publiek en het feit dat een marktdeelnemer ten onrechte kan profiteren van de reputatie van de beschermde geografische aanduiding. Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:

1) Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat zij ook van toepassing zijn wanneer de beschermde oorsprongsbenaming wordt gebruikt als deel van een benaming voor een levensmiddel dat niet in overeenstemming is met het productdossier, maar waaraan een ingrediënt is toegevoegd dat in overeenstemming is met het productdossier?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming als deel van een benaming voor een levensmiddel dat niet in overeenstemming is met het productdossier, maar waaraan een ingrediënt is toegevoegd dat in overeenstemming is met het productdossier, neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van de oorsprongsbenaming wanneer de benaming van het levensmiddel overeenkomt met de bij het relevante publiek gebruikelijke benaming en het ingrediënt in voldoende hoeveelheid werd toegevoegd teneinde het product een essentieel kenmerk te verlenen?

3) Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming onder de in de tweede prejudiciële vraag beschreven omstandigheden misbruik, nabootsing of voorstelling oplevert?

4) Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder c), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder c), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat zij alleen van toepassing zijn op onjuiste of misleidende aanduidingen die bij het relevante publiek aanleiding kunnen geven tot misverstanden over de geografische herkomst van een product?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-478/07 Budejovicky Budvar; C-35/13 Salame Felino; T-659/14 Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto; C-75/15 Viniiverla;

Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-422/16 TofuTown.com

By | landbouw, mededinging, verkoopbenamingen | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: landbouw; mededinging; verkoopbenamingen

Deadline: submit your brief by 5 oktober 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007;

Verzoekster is een vennootschap die vegetarische/vegane levensmiddelen produceert en distribueert onder benamingen als Tofubutter, pflanzenkäse, veggie-cheese e.d.. Verweerster is het Verband Sozialer Wettbewerb, een vereniging tot bestrijding van oneerlijke mededinging. Verweerster heeft een stakingsvordering tegen verzoekster ingesteld wegens schending van de DUI mededingingswet in samenhang met bijlage VII van Vo. 1308/2013. Het gaat om de benaming van de betreffende producten.

De verwijzende DUI rechter (Landgericht Trier) heeft in de voorafgaande zaak (voorlopige voorziening in maart 2016) tegen verzoekster geoordeeld dat verzoekster door het gebruik van de begrippen ‘kaas’ of ‘cheese’ inbreuk maakt op de Vo. aangezien volgens de bewoordingen van de Vo. de benaming ‘melk’ uitsluitend is voorbehouden aan het product dat normaal door de melkklieren wordt afgescheiden en bij één of meer melkbeurten is verkregen, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken. Het HvJEU heeft eerder in een arrest van 16-12-1999 (C-101/98) geoordeeld dat het gebruik van een benaming als ‘dieet(smeer)kaas’ met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten ook dan niet is toegestaan, wanneer die benaming wordt aangevuld met een toelichting op de verpakking. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1. Kan artikel 78, lid 2, van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 [hierna: “verordening (EU) nr. 1308/2013”] aldus worden uitgelegd dat de in bijlage VII opgenomen definities, aanduidingen en verkoopbenamingen niet moeten voldoen aan de overeenkomstige in die bijlage vastgestelde eisen, wanneer de betrokken definities, aanduidingen of verkoopbenamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen (zoals “tofuboter” voor een zuiver plantaardig product)?

2. Dient bijlage VII, deel III, punt 1, bij verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus te worden uitgelegd dat de benaming “melk” uitsluitend is voorbehouden aan het product dat normaal door de melkklieren wordt afgescheiden en bij één of meer melkbeurten is verkregen, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken, of mag de benaming “melk” – in voorkomend geval met toevoeging van toelichtende begrippen zoals „sojamelk” – ook voor plantaardige (vegane) producten worden gebruikt bij de afzet ervan?

3. Dient bijlage VII, deel III, punt 2, met betrekking tot artikel 78 van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus te worden uitgelegd dat de aldaar onder punt 2, a), vermelde benamingen, zoals met name “wei”, “room”, “boter”, “karnemelk” of “botermelk”, “kaas”, “yoghurt”, of het begrip “slagroom” enz., uitsluitend aan zuivelproducten zijn voorbehouden, of kunnen ook zuiver plantaardige/vegane producten, die zonder melk (van dierlijke oorsprong) zijn geproduceerd, binnen de werkingssfeer van bijlage VII, deel III, punt 2, bij verordening (EU) nr. 1308/2013 vallen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.