Category

strafrecht

C-193/16 (X)

By | burgerschap, openbare orde/veiligheid, recht op vrij verkeer, strafrecht, verwijdering | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: strafrecht; verwijdering; openbare orde/veiligheid; burgerschap; recht op vrij verkeer

Deadline: submit your brief by 17 juni 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (enz)

Op 13-11-2013 heeft de Rb Vitoria beroep van verzoeker, Argentijns staatsburger, ITA onderdaan, sinds 2003 woonachtig in SPA, verworpen tegen een besluit tot verwijdering en ontzegging van toegang tot SPA grondgebied voor tien jaar om redenen van openbare veiligheid. Verzoeker is bij drie onherroepelijke rechterlijke uitspraken veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens herhaaldelijk gepleegd seksueel misbruik van kinderen. Verzoekers beroep is afgewezen. Uit psychologische rapporten blijkt duidelijk dat verzoeker een stoornis heeft, het niet bekend is of hij nog contact heeft met zijn in SPA wonende moeder, en hij van de twaalf jaar dat hij in SPA woont slechts twee jaar, zeven maanden en 27 dagen heeft gewerkt. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld waarin hij stelt dat hij reeds zes van de veertien jaar heeft uitgezeten, maar nog geruime tijd in gevangenschap zal doorbrengen zodat van een gevaar voor de openbare veiligheid geen sprake kan zijn. Hij stelt ook dat ‘openbare orde’ een onbepaald rechtsbegrip is dat beoordelingsvrijheid van de overheid uitsluit.

De verwijzende SPA rechter (hoogste rechter Baskenland) gaat op basis van de gegevens uit van duurzaam verblijf van verzoeker in SPA. Hij zou dan de (sterkere) bescherming genieten van RL 2004/38 (arrest HvJEU C-348/09) zodat de vraag moet worden beantwoord of verzoeker een actuele en werkelijke bedreiging voor de openbare veiligheid vormt in de zin van de RL. Antwoord op die vraag is noodzakelijk voor kan worden gekeken naar de in de RL genoemde worteling in de SPA samenleving en zijn persoonlijke omstandigheden. Indien verzoeker door zijn detentie geen bedreiging vormt dan zou de verwijderingsmaatregel in strijd zijn met zijn recht op vrij verkeer. De verwijzende rechter meent dat het SPA detentieregime een mogelijke bedreiging door verzoeker lijkt uit te sluiten. Verzoeker is nog lang niet toe aan voorwaardelijke invrijheidstelling. Het verwijderingsbesluit zou dan voorbarig zijn. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:
“Vormt verzoeker, die tot 12 jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens herhaaldelijk gepleegd misbruik van kinderen, een actuele en werkelijke bedreiging voor de openbare orde in de zin van artikel 27[, leden 1 en 2,] van richtlijn 2004/83/EG, in aanmerking genomen het feit dat hij gedetineerd is en zes jaar van zijn straftijd heeft ondergaan en dus nog een aantal jaren in detentie moet doorbrengen voordat hij in vrijheid wordt gesteld?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-348/09 Infusino
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-124/16, C-188/16 en C-213/16 Tranca ea

By | betekening, recht op eerlijk proces, recht op informatie in strafprocedures, strafrecht | No Comments

Regarding: Gevoegde prejudiciële hofzaken

Keywords: strafrecht; recht op informatie in strafprocedures; recht op eerlijk proces; betekening

Deadline: submit your brief by 10 juni 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (Pb L 142, blz. 1)

Verzoekers in deze gevoegde zaken hebben geen woonplaats in DUI. In zaak C-124/16 gaat het om een dakloze die diefstal heeft gepleegd en schuld heeft bekend. Volgens de verwijzende rechter zal hij er met een boete vanaf komen. Er is een aanhoudingsbevel uitgevaardigd wegens vluchtgevaar en om de mogelijkheid te scheppen de strafbeschikking aan verzoeker te ‘betekenen’. Het gaat de verwijzende DUI rechter (Amtsgericht München) met name om de evenredigheidstoets van het bevel (in verhouding tot het vergrijp), de noodzaak tot snelle afdoening (in belang van verzoeker en het spaarzaam omgaan met beschikbare middelen) en de wettelijke noodzaak tot aanwijzing van een ontvangstgemachtigde.
In C-213/16 geeft de rechter aan dat het om vervolgvragen gaat van het arrest in zaak C-216/14 Covaci. Het betreft het ingaan van de verzettermijn en de criteria die daarvoor zijn gesteld, met name de afhankelijkheid van de daadwerkelijke doorzending aan en ontvangst door beklaagde. Een dergelijke bepaling ontbreekt in het DUI recht. De automatische en letterlijke toepassing van de beslissing van het HvJEU zou volgens de verwijzende rechter ertoe leiden dat strafbeschikkingen in gebruikelijke situaties geen kracht van gewijsde meer zouden krijgen. Hij ziet zich dan ook genoodzaakt om in de zaken C-124/16 en C-213/16 alsnog aanvullende vragen aan het HvJEU voor te leggen:
1. Staan artikel 2 en artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, in de weg aan een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat een niet in deze lidstaat verblijvende beklaagde in een strafprocedure een ontvangstgemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een aan hem gerichte strafbeschikking, ook wanneer de beklaagde vervolgens niet over de volledige termijn beschikt om verzet aan te tekenen tegen de strafbeschikking, en hij ook geen adres heeft waarop de strafbeschikking hem verifieerbaar kan worden medegedeeld, en de mededeling van de naam en adres van de ontvangstgemachtigde hem de mogelijkheid biedt om deze persoon op de hoogte te houden van de plaats waar hem een strafbeschikking met ontvangstbewijs kan worden toegestuurd?
2. Staan artikel 2, lid 1, en artikel 6, leden 1 en 3 van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 in de weg aan een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat een niet in deze lidstaat verblijvende beklaagde in een strafprocedure een ontvangstgemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een aan hem gerichte strafbeschikking en dat de betekening aan een ontvangstgemachtigde als zodanig de termijn om verzet aan te tekenen doet ingaan, wanneer de beklaagde bij niet-inachtneming van de aldus berekende termijn herstel in de vorige toestand kan verlangen, waarbij het als rechtvaardiging volstaat dat de strafbeschikking hem werd doorgestuurd en hij vervolgens tijdig verzet heeft ingesteld, wanneer hij nadien door herstel in de vorige toestand dus de onverkorte verzetstermijn geldend kan maken, zelfs wanneer de wet voorschrijft dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking de regel is bij niet-inachtneming van de termijn?

In zaak C-188/16 gaat het om een ROE staatsburger die een winkeldiefstal heeft gepleegd welke hij heeft bekend. Het OM zag geen reden tot aanhouding, maar heeft gelast dat verzoeker een gemachtigde aanwijst, hetgeen is geschied. Verzoeker krijgt 13-10-2015 een boete opgelegd; de strafbeschikking is aan de gemachtigde betekend op 27-10-2015. Op 11-11-2015 is bij besluit van de griffier de beschikking in kracht van gewijsde gegaan. Het OM maakt daartegen bezwaar. De vraag in deze zaak is of de juiste datum wordt gehanteerd voor kracht van gewijsde. Het OM twijfelt daaraan gezien het arrest in zaak C-216/14 en de daarin gestelde einddatum termijn verzet. De vraag van de verwijzende rechter in deze zaak (Landgericht München) luidt als volgt:
“Moeten de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, aldus worden uitgelegd dat zij zich ook dan verzetten tegen de wettelijke voorschriften van een lidstaat die bepalen dat in het kader van een strafzaak gericht tegen een beklaagde die geen vaste woon-of verblijfplaats in de lidstaat heeft, de aan hem gerichte strafbeschikking kan worden betekend aan een door hem met het oog op de betekeningen benoemde gemachtigde, met als gevolg dat de strafbeschikking in kracht van gewijsde gaat na het verstrijken van de termijn voor verzet (van 2 weken) die ingaat vanaf de betekening aan de gemachtigde, wanneer de wettelijke voorschriften erin voorzien dat beklaagden die binnen 2 weken nadat zij van de strafbeschikking daadwerkelijk kennis hebben genomen bij het bevoegde gerecht schriftelijk verzet instellen tegen de strafbeschikking, ambtshalve in de vorige toestand moeten worden hersteld, met als gevolg dat de procedure vanaf die beslissing tot herstel in de vorige toestand wordt voortgezet alsof tijdig verzet is ingesteld?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-216/14 Covaci
Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-225/16 Ouhrami

By | strafrecht, terugkeer na illegaal verblijf | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: strafrecht; terugkeer na illegaal verblijf

Deadline: submit your brief by 6 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (‘TerugkeerRL’- Pb L 348, blz. 98)

Verzoeker, geboren 1979, is Algerijns staatsburger. Hij is bij beschikking van 22-10-2002 ongewenst verklaard (gevaar openbare orde) na vijf veroordelingen binnen twee jaar die in totaal ruim 13 maanden gevangenisstraf opleverden (diefstal, bezit harddrugs). Het rechtsgevolg was dat hij NL moest verlaten en dat hij wegens het opiumwetdelict tien jaar uit NL moest wegblijven. De termijn daarvoor vangt volgens de beschikking aan bij daadwerkelijk vertrek. Verzoeker is in 2011 en 2012 op diverse data in Amsterdam gesignaleerd hetgeen volgens het WSr artikel 197 een misdrijf is. Hij is daarvoor tot twee maanden celstraf veroordeeld. In beroep stelt verzoeker dat de terugkeerprocedure volgens RL 2008/115 niet geheel is doorlopen. Het Hof AMS oordeelde dat dat inderdaad strijdig is met de TerugkeerRL maar stelt vast dat de Staat zich voldoende heeft ingespannen om te kunnen spreken van het geheel doorlopen van de procedure. Verzoeker kon uiteindelijk niet worden uitgezet omdat hij op geen enkele wijze heeft meegewerkt. Dit staat verder in de procedure niet ter discussie. In cassatie gaat het enkel om de geldigheid van de ongewenstverklaring.

De verwijzende NL rechter (HR) haalt arrest C-297/12 aan waarin het HvJEU stelde dat artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn aldus moet worden uitgelegd “dat het eraan in de weg staat dat een inbreuk op een verbod om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en aldaar te verblijven, welk verbod is opgelegd meer dan vijf jaar vóór ofwel de datum waarop de betrokken onderdaan van een derde land opnieuw die lidstaat is binnengekomen, ofwel de datum waarop de nationale regeling tot omzetting van deze richtlijn in werking is getreden, tot een strafrechtelijke sanctie leidt, tenzij deze onderdaan een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.” Verzoeker stelt dat de ongewenstverklaring niet langer dan vijf jaar had mogen duren en in 2011-2012 dan ook niet meer van kracht was. In een eerder arrest heeft de HR aan HvJEU-arrest C-297/12 ontleend dat een ongewenstverklaring in beginsel gebonden is aan de genoemde maximale duur van vijf jaar. Het verschil met onderhavige zaak is dat verweerder (MinVenJ) heeft vastgesteld dat verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, hetgeen een onaantastbare vaststelling oplevert.
De aan het HvJEU voorgelegde vragen luiden als volgt:
1. Moet artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn aldus worden uitgelegd dat de daarin vermelde termijn van vijf jaren wordt berekend:
a. vanaf het moment dat het inreisverbod (of met terugwerkende kracht: de daarmee gelijk te stellen ongewenstverklaring) is uitgevaardigd, dan wel
b. met ingang van de datum waarop de betrokkene het·grondgebied van – kort -gezegd – de lidstaten van de EU daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel
c. enig ander moment?
2. Moet artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn met het oog op de toepassing van het overgangsrecht aldus worden uitgelegd dat deze bepaling meebrengt dat besluiten die zijn genomen voordat deze richtlijn in werking trad, waarvan het rechtsgevolg is dat de geadresseerde gedurende tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland moet verblijven en het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval is bepaald waartegen een rechtsmiddel kon worden aangewend, geen rechtsgevolg meer hebben indien de duur van deze verplichting op het moment waarop deze richtlijn ten uitvoer diende te worden gelegd of op het moment waarop is vastgesteld dat de geadresseerde van dit besluit in Nederland verbleef, de in deze bepaling bedoelde duur overschreed?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-395/08 en C-396/08 Bruno et Pettini e.a.; C-357/09 Kadzoev; C-297/12 Filev et Osmani
Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-278/16 Sleutjes

By | recht op vertaling, strafrecht | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: strafrecht; recht op vertaling

Deadline: submit your brief by 8 augustus 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1)

Verzoeker (NL) heeft op 12-11-2015 een ‘Strafbefehl’ (strafbeschikking van 02-11-2015) betekend gekregen van de Rb Düren op vordering van het OM Aken wegens ‘vluchtmisdrijf’ waarbij hem een boete en rijverbod (ontzegging rijbevoegdheid in DUI) wordt opgelegd. Er staat tevens informatie in over de beschikbare rechtsmiddelen, alsmede de mededeling ‘schriftelijk verzet moet in de DUI taal worden ingesteld’. De beschikking zelf is in de DUI taal gesteld, alleen de mededeling over de rechtsmiddelen is tevens in het NL betekend. Verzoeker heeft op 24-11-2015 per mail in het NL aan de Rb Düren gereageerd en hij heeft op 26-11 navraag gedaan bij de Rb Aken of zijn mail was ontvangen. Hij krijgt daarop per brief van 01-12-2015 (verzonden op 08-12) antwoord van de Rb Düren dat correspondentie in het DUI moet zijn gesteld. Op 01-12-2015 heeft verzoeker alsnog per fax verzet tegen de beschikking aangetekend en verzoek om herstel in de vorige toestand maar dat wordt 02-02-2016 niet ontvankelijk verklaard wegens tardiviteit. Voor herstel in de vorige toestand zijn onvoldoende redenen aangevoerd. Verzoeker stelt hiertegen per fax op 04-02-2016 beroep in. De zaak ligt nu bij de verwijzende rechter.

De verwijzende DUI rechter (Landgericht Aachen) oordeelt dat de Rb Düren terecht de niet-ontvankelijkheid van het verzet heeft uitgesproken. De e-mails waren weliswaar op tijd, maar vormden geen rechtsgeldig verzet. Herstel in de vorige toestand is niet mogelijk omdat de mededeling over rechtsmiddelen in het NL is betekend. Dit is niet in strijd met EUrecht zoals ook bevestigd in arrest C-216/14. Hij vraagt zich wel af of de DUI regelgeving verenigbaar is met RL 2010/64. Het is in de procedure duidelijk geworden dat verzoeker de DUI taal niet beheerst. In de DUI regelgeving wordt in de wet RO dan aan een verdachte het recht toegekend op vertaling in het DUI van een strafbeschikking, terwijl in het WSv alleen gesproken wordt over recht op vertaling van een ‘vonnis’. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:

“Moet artikel 3 van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1) aldus worden uitgelegd dat het begrip “vonnis” in § 37, lid 3, StPO [Strafprozessordnung] mede ziet op strafbeschikkingen in de zin van § 407 en volgende StPO?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-216/14 Covaci;

Specifiek beleidsterrein: VenJ

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-310/16 (X)

By | bescherming financiële belangen gemeenschap, fraude/btw-ontduiking, handvest grondrechten, strafrecht | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: strafrecht; fraude/btw-ontduiking; bescherming financiële belangen gemeenschap; handvest grondrechten

Deadline: submit your brief by 19 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – handvest grondrechten artikel 47 (recht op doeltreffende voorziening in rechte);

– VWEU artikel 325 (bescherming financiële belangen EU);

– besluit 2007/436/EG – Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

Verzoekers worden beschuldigd van leiding c.q. lidmaatschap van een criminele organisatie die onder dekmantel van een vennootschap strafbare feiten (belastingontduiking) hebben begaan. Bewijs in deze zaak is verkregen via telefoontaps, geplaatst op grond van de BUL wet bijzondere opsporingsmethoden, op last van de bevoegde BULaut en bevolen door de president van de Rb Sofia. Deze taps, geplaatst vanaf november 2011, zijn verschillende keren ‘verlengd’. Ook na inleiding van de strafprocedure zijn nog taps op diverse telefoonaansluitingen geplaatst, volgens de documenten door dezelfde rechter, die echter inmiddels niet meer in de zaak bevoegd was. Ook is sprake van ontbrekende motivering van de besluitvorming, een vereiste waaraan zowel volgens de wet als volgens de BUL Gw moet zijn voldaan. De besluiten bevatten slechts de tekst van het betreffende wetsartikel op grond waarvan de besluiten zijn genomen. Ook bevatten de bevelen niet alle de voorgeschreven rechterlijke instantie maar soms een open plek (puntjes) of er staat iets met de hand ingevuld, soms na doorgehaalde eerdere ingetypte tekst. Dit alles roept een zekere twijfel op omtrent de vraag of en in hoeverre het bevoegde orgaan daadwerkelijk de wil had om met inaanmerkingneming van de bijzonderheden van elk geval te bevelen tot plaatsing of verlenging van individuele telefoontaps.

De verwijzende BUL rechter (bijzondere Rb in strafzaken) stelt vast dat het ontbreken van bevoegdheid voor het geven van een bevel tot plaatsing van een telefoontap ertoe leidt dat stukken niet voor bewijs mogen worden gebruikt. Hij leest echter in arrest in HvJEU-zaak C-419/14 dat een dergelijke fout op zichzelf niet hoeft te betekenen dat de bruikbaarheid van telefoongesprekken als bewijs uitgesloten is en dat verdere toetsing achteraf van bepaalde omstandigheden noodzakelijk is. De naar nationaal recht onrechtmatig verkregen bewijzen met betrekking tot telefoongesprekken blijken van bijzonder groot belang. Zij tonen duidelijk en onbetwistbaar de talrijke contactopnamen tussen de verdachten. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1. Is het verenigbaar met:

– artikel 325, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bepaalt dat de lidstaten maatregelen nemen met het oog op een doeltreffende bescherming tegen fraude en andere tegen de financiële belangen van de Unie gerichte onwettige activiteiten;

– artikel 2, lid 1, juncto artikel 1, lid 1, onder b), van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PIF-overeenkomst) juncto artikel 2, lid 1, onder b), van het besluit 2007/436/EG [Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen], op grond waarvan elke lidstaat de nodige maatregelen neemt om de doeltreffende bestraffing van btw-ontduiking te waarborgen;

– artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een vooraf bij wet ingesteld gerecht waarborgt,

wanneer naar nationaal recht de bewijzen die zijn verkregen door de inzet van “bijzondere opsporingsmethoden”, namelijk door middel van het plaatsen van een telefoontap op personen tegen wie later een aanklacht wegens belastingontduiking is uitgebracht, niet mogen worden gebruikt, aangezien het bevel ertoe is gegeven door een onbevoegde rechter, en daarbij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

– op een eerder tijdstip (tussen een en drie maanden van tevoren) werd verzocht om een telefoontap op een deel van dit telefoonverkeer, welke werd bevolen door dezelfde rechter, waarbij deze op dat tijdstip nog bevoegd was;

– het verzoek om het bevel tot de betrokken telefoontap (tot verlenging van de eerdere telefoontap en tot plaatsing van een telefoontap op nieuwe aansluitingen) werd ingediend bij dezelfde rechter, die niet meer bevoegd was, aangezien zijn bevoegdheid vlak daarvoor was overgedragen aan een andere rechter; de oorspronkelijke rechter heeft ondanks zijn ontbrekende bevoegdheid de gegrondheid van het verzoek onderzocht en het bevel gegeven;

– op een later tijdstip (ongeveer een maand later) werd opnieuw om het bevel tot plaatsing van een telefoontap op dezelfde aansluitingen verzocht, welk bevel door de thans daartoe bevoegde rechter werd gegeven;

– de gegeven bevelen zijn feitelijk geen van alle gemotiveerd;

– het rechtsvoorschrift waarop de bevoegdheidsoverdracht berustte was onduidelijk, leidde tot talrijke tegenstrijdige rechterlijke bevelen en bracht de Varhoven sad er derhalve toe, ongeveer twee jaar na de wettelijke bevoegdheidoverdracht en de betrokken telefoontap, een bindende uitleggingsbeslissing te geven;

– de rechter bij wie de onderhavige zaak aanhangig is, is niet bevoegd om te beslissen op verzoeken om inzet van bijzondere opsporingsmethoden (telefoontap); hij is evenwel bevoegd om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een geplaatste telefoontap, waarbij hij ook kan vaststellen dat een bevel niet in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en derhalve af kan zien van een beoordeling van de via deze weg verkregen bewijzen; deze bevoegdheid bestaat alleen wanneer een geldig bevel tot telefoontap is gegeven;

– het gebruik van deze bewijzen (telefoongesprekken van de verdachte die werden afgetapt op bevel van een rechter die zijn bevoegdheid reeds had verloren) is van fundamenteel belang voor de beslissing op de vraag naar de verantwoordelijkheid van de verdachte als leider van een criminele vereniging die werd opgericht met als doel het begaan van fiscale delicten op grond van de btw-wet, respectievelijk als aanstichter van de concrete fiscale delicten, waarbij hij enkel kan worden beschuldigd en veroordeeld wanneer deze telefoongesprekken als bewijzen mogen worden gebruikt; anders dient hij te worden vrijgesproken.

2. is het in prejudiciële zaak C-614/14 gewezen arrest op het onderhavige geval van toepassing? (deze vraag is inmiddels, na het arrest, op verzoek van de rechter ingetrokken)

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-419/14 Webmindlicences; C-614/14 Ognyanov

Specifiek beleidsterrein: VenJ en FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.