Category

vrijstellingen

C-288/16 L C

By | btw, vrijstellingen | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; vrijstellingen

Deadline: submit your brief by 24 juli 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoeker is een eenmansbedrijf. De zaak betreft doorvoertransporten van Riga/LET naar Wit-Rusland die plaatsvinden met vervoermiddelen van ‘Atek’ en door verzoeker van Atek zijn gehuurd. Atek sluit overeenkomsten met de afzenders en zij staat als vervoerder vermeld op de vrachtbrieven. Atek sluit met verzoeker overeenkomsten van opdracht om het daadwerkelijke transport (douane, brandstof, reparaties enz) en de zorg voor de voertuigen uit te voeren. Verzoeker draagt aldus de verantwoordelijkheid als chauffeur voor het vervoer maar kan naar LET recht niet als vervoerder worden aangemerkt omdat zij daarvoor niet de nodige vergunningen heeft. Omdat de verrichte diensten betrekking hebben op vervoer rekent verzoeker wel een btw-tarief van 0%. Na inspectie door de belastingdienst (verweerster) krijgt verzoeker (periode januari 2008 – december 2010) een naheffing opgelegd omdat verzoeker geen aanspraak op het 0%-tarief kan maken. Zijn diensten kunnen op grond van de wettelijke regelingen niet worden gelijkgesteld met diensten van expediteurs en logistieke dienstverleners daar er geen juridisch verband bestaat tussen de ondernemer en de afzender of ontvanger van de goederen. Zij kan evenmin als vervoerder in de zin van de wet op het wegvervoer worden beschouwd wegens het ontbreken van een vergunning daarvoor. Verzoeker start een procedure. Zijn beroep wordt bij de bestuursrechter ongegrond verklaard (11-12-2012). Zijn hoger beroep wordt gedeeltelijk toegewezen, maar voor het hier relevante deel eveneens ongegrond verklaard (29-05-2014) wegens de ontbrekende vergunning en het bovengenoemde ontbrekende juridische verband. Verweerster mocht er terecht van uitgaan dat verzoeker slechts diensten als chauffeur verrichtte, waarvoor een btw-tarief van 21% geldt. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij wijst er daarbij op dat in de LET btw-wet het begrip ‘chauffeur’ of ‘chauffeursdiensten’ niet wordt gebruikt en dat in een besluit is bepaald dat de btw-wet ook van toepassing is op vervoerdiensten (enz).

De verwijzende LET rechter (afdeling bestuursgeschillen Hooggerechtshof) haalt artikel 146, lid 1, onder e) van de btw-RL aan waarin is bepaald dat vrijstelling wordt verleend voor diensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer of invoer van goederen. Uit de RL blijkt niet wat met het rechtstreekse verband wordt beoogd. De vrijstelling is een uitzondering, dus strikte uitleg is vereist. Hij wijst op arrest C-445/05 waarin sprake was van een ontbrekend juridisch verband. Verzoeker heeft gewezen op zijn overeenkomst met Atek waarmee hij heeft voldaan aan de in het aanvullende besluit gestelde voorwaarde. De rechter vraagt zich af of het hier bestaande economische en financiële verband voldoende is om de vrijstelling in de btw-RL werking te geven. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

(1) Moet artikel 146, lid 1, onder e), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat slechts vrijstelling wordt verleend wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger of afzender van de goederen sprake is van een rechtstreeks juridisch verband of een onderlinge contractuele relatie?

(2) Aan welke criteria moet het in die bepaling genoemde rechtstreeks verband voldoen zodat een met de invoer of uitvoer van goederen verband houdende dienst wordt vrijgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-445/05 Haderer

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.

C-386/16 Toridas

By | btw, plaats van levering, vrijstellingen | No Comments

Regarding: Prejudiciële hofzaak

Keywords: btw; vrijstellingen; plaats van levering

Deadline: submit your brief by 19 september 2016

Questions pending before the ECJ

– Question 1
– Question 2

Facts & Procedure

Onderwerp: – richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster is een in LIT gevestigde onderneming die handelt in bevroren vis. Zij voert (periode 01-07-2008 – 31-12-2010) vis in vanuit Kazachstan en levert deze aan een in EST gevestigde firma (Megalain) die in LIT niet voor btw-doeleinden is geregistreerd. De leveringen vinden plaats op basis van een overeenkomst inzake commerciële samenwerking (2006). Megalain verbindt zich daarbij de goederen binnen 30 dagen uit LIT uit te voeren en verzoekster daarvoor de nodige documenten voor bewijs van uitvoer te leveren. Verzoekster zorgt gedurende de 30 dagen voor opslag en is ook verantwoordelijk voor de kosten daarvoor. Zij geeft btw-facturen af waarop Megalain als afnemer is vermeld tezamen met het in EST afgegeven btw-nummer. Voor de transacties geldt conform de LIT btw-wet het 0-tarief. Megalain verkoopt/levert de meeste producten op de dag van ontvangst meteen vanuit LIT door aan belastingplichtigen in andere EULS, met btw-facturen waarop geen btw in rekening wordt gebracht (op grond van artikel 28 quater, E, lid 3 RL 2006/112). Een deel wordt eerst bewerkt in een pakhuis en daarna doorgeleverd (maar ook vanuit LIT). Bij een belastingcontrole door verweerster (belastingdienst) krijgt verzoekster dan ook een naheffing btw over de leveringen aan Megalain. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het om binnenlandse leveringen gaat. Verzoekster start een procedure en wordt door de belastinggeschillencommissie (02-06-2014) in het gelijk gesteld. Verweerster gaat in beroep waarna 23-03-2015 het eerdere besluit nietig wordt verklaard. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende LIT rechter (hoogste bestuursrechter) gaat ervan uit dat Megalain op het moment dat zij met afnemers in de andere EULS transacties aanging als eigenaar over de door verzoekster geleverde goederen mocht beschikken. Het gaat dus om twee opeenvolgende leveringen waarbij moet worden vastgesteld welke de vrijgestelde (intracommunautaire) levering is. Het HvJEU heeft in arrest C-245/04 en in C-430/09 uitleg gegeven hoe dit moet worden beoordeeld. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1) Moeten de artikelen 138, lid 1, 140, onder a), en/of 141 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met, onder meer, de artikelen 33 en 40 daarvan, aldus worden uitgelegd dat, in omstandigheden als hier (in het hoofdgeding) aan de orde, de levering van goederen door een in een eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige overeenkomstig die bepalingen moet worden vrijgesteld in het geval waarin, vóór die leveringstransactie plaatsvindt, de afnemer (dat wil zeggen een persoon die is geïdentificeerd als belastingplichtige in een tweede lidstaat) te kennen geeft voornemens te zijn die goederen onmiddellijk, alvorens ze te vervoeren vanuit de eerste lidstaat, door te verkopen aan een in een derde lidstaat gevestigde belastingplichtige, voor wie die goederen ook worden vervoerd (verzonden) naar die derde lidstaat?

2) Wordt het antwoord op vraag 1 beïnvloed door het feit dat een deel van de goederen werd bewerkt in opdracht van de (voor belastingdoeleinden) in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige, voordat zij werden uitgevoerd naar de derde lidstaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-245/04 EMAG; C-430/09 Eurotyre;

Specifiek beleidsterrein: FIN

More information can be found (in Dutch) in this PDF.